“We wilden de KNSB een lesje leren”
Achttien meiden organiseren in 1965 eigen kernploeg
Tja, wat doe je als je wilt schaatsen maar je eigen bond ziet je niet staan? Dan begin je toch gewoon je eigen kernploeg? Corry Ruben, een dan 26-jarige Groningse die als verpleegster in Amsterdam werkt, bedenkt het én voerde het eind 1964 uit. En het werkt. Ruim twee jaar later wordt Stien Kaiser in vol Ijsselstadion in Deventer de eerste Nederlandse wereldkampioen bij het vrouwenschaatsen. Weer een jaar later, in 1968, halen Carry Geijssen en Ans Schut in Grenoble voor Nederland het eerste hardrijgoud bij de Winterspelen. Met dank aan de KNSB, maar niet heus.
Hardrijdende dames: decennialang moeten de heren-bestuurders van de nationale schaatsbond er niets van hebben. Al sinds 1936 kennen de vrouwen een eigen wereldkampioenschap, maar daar had namens Nederland alleen Gonne Donker in de jaren dertig drie keer aan mee mogen doen – en dat kwam vooral omdat ze het nichtje was van de toenmalige schaatscrack Jan Langedijk. Nee, vrouwen die willen schaatsenrijden, zo vond en vindt de schaatsbond, moeten dat maar op de kunst- of schoonrijbaan doen. Hárdrijdende vrouwen -als voorbeeld gebruikte men graag de vermaledijde kortebaan in Friesland waar de “famkes” zelfs in ondergoed reden!- dat zag er gewoon niet uit. Sjoukje Dijkstra en Joan Haanappel: bewezen zij niet dat kunstrijden de ideale schaatssport was voor het zwakke geslacht?
Als de vrouwen -vooral door een Oost-Europese lobby- in 1960 eindelijk ook officieel Olympisch mogen gaan hardrijden, denkt iedereen dat de KNSB nu toch wel bakzijl zou gaan halen. En inderdaad, er komt een Nederlands kampioenschap voor dames, en de bond erkent voortaan ook voor vrouwen officiële nationale records, zoals die al sinds 1893 voor mannen worden bijgehouden. En daar moet het voorlopig maar bij blijven.
De Wormerveerse Rie Meijer, die in 1956 op natuurijs de eerste Nederlandse langebaankampioene wordt, zal het aan de lijve ondervinden. Maar eerst krijgt ze nog een fopspeen voorgehouden. In 1958 mag ze zowaar -als tweede Nederlandse vrouw in de geschiedenis- naar het wereldkampioenschap! Zonder enige voorbereiding -natuurijs was er in Nederland die winter niet geweest- eindigt ze in het Zweedse Kristinehamn in een veld van 26 rijdsters op een eervolle dertiende plaats. Maar de bond vindt het experiment mislukt en Rie Meijer mag niet meer naar het buitenland.
Rie Meijer besluit haar eigen weg te gaan. Om zich op de Olympische Winterspelen van 1960 voor te bereiden zoekt ze geheel op eigen initiatief een baantje in het Nederlandse sanatorium in Davos, alwaar zich immers de snelste ijsbaan ter wereld bevindt. Zo kan ze de kost verdienen én zich optimaal voorbereiden op de Winterspelen! Zonder enige begeleiding traint ze met wat Zwitserse mannen. In januari 1960 mag Rie meedoen aan de Olympische selectiewedstrijden van de ook toen al ijzersterke Oostduitse vrouwenploeg, die elk jaar met de Russinnen op de wonderbaan in Alma Ata traint. Tot ieders verrassing eindigt Rie Meijer, die al haar Nederlandse records verpulvert, bij drie van deze wedstrijden steevast als tweede achter Helga Haase, maar vóór de overige Oostduitse meisjes. Inclusief de ervaren Inge Görmer, die in 1958 bij het enige WK waar ook Rie Meijer aan mee had mogen doen nog zevende was geworden. Op haar sterke lange afstanden zou Meijer in Squaw Valley zeker bij de eerste tien kunnen komen. En dat moet toch genoeg zijn om uitgezonden te worden?
Als namens het NOC Adriaan Paulen en jonkheer Van Karnebeek naar Davos afreizen -uiteraard om de selectiewedstrijden van de Nederlandse heren te bekijken- hoopt Rie Meijer dat ze ook haar een blik waardig gunnen. Maar nee: de heren blijken niet eens te wéten dat er een Nederlandse vrouw in Davos aan het hardrijden is. In wanhoop belt Meijer het bondsbureau van de KNSB in Nederland. Ze geeft haar tijden door en vraagt of de bond haar aan het NOC wil voordragen. Het antwoord komt ijskoud op haar dak vallen: Rie Meijer heeft de bond niet geïnformeerd over haar vertrek naar Davos en dus kunnen haar resultaten niet in beschouwing genomen worden. Einde verhaal. Einde schaatscarrière van Rie Meijer. En Inge Görmer? De DDR-rijdster mag wel naar Squaw Valley en wordt dertiende op de 3000 meter. Als Rie Meijer haar net zoveel was voorgebleven als in Davos was ze inderdaad….. tiende geworden!
In 1961 opent de Jaap Eden-baan in Amsterdam als eerste 400 meter-kunstijsbaan van Nederland de poorten. Voor het eerst kan er in eigen land vanaf oktober non-stop getraind worden: een ongekende luxe. Ook hardrijdende meisjes worden op het ijs gesignaleerd, natuurlijk, door wie zouden ze zich moeten laten weerhouden? De zusjes Beppie en Carry Geijssen bijvoorbeeld, afkomstig uit de Indische buurt dus vlak bij de ijsbaan wonend. Voor ook van veel verder komen ze naar het nieuwe nationale schaatsmekka. Uit Delft rijdt bijvoorbeeld twee keer per week een zekere Stien Kaiser mee met Kees Verkerk uit Puttershoek. Beiden trainen in Rotterdam bij schaatscoach Piet Zwanenburg, de oom van kernploeglid Wim de Graaff. Op de Jaap Eden-baan brengt Theo Ekelschot de hardrijdende meiden bijeen en vormt een gezamenlijk ploegje. Maar een eigen kernploeg, nee, dat zit er voorlopig nog niet in voor de dames. Het is al prachtig dat ze voortaan gelijktijdig met de mannen een Nederlands kampioenschap mogen verrijden! “En het wereldkampioenschap, hoe zit het daarmee?” durft een enkele rijdster stoutmoedig te vragen. Nou, vooruit dan: in 1963 mag het weer een keer. Om de reiskosten te beperken worden de WK’s voor mannen én vrouwen in vier dagen tijd in het Japanse Karuizawa verreden. Dat komt goed uit, want nu kan Willy de Beer, de nationale kampioen van 1962 en ’63, gewoon met de mannenploeg van Klaas Schenk mee naar Japan. En als Willy daar kranig rijdt, zo krijgt ze te horen, mag ze het jaar daarop meedoen aan….. de Olympische Winterspelen! Haar veertiende plaats in het eindklassement -een plek lager dan Rie Meijer in 1958!- overtuigt deze keer wel: als eerste Nederlandse schaatser wordt Willy de Beer uit Medemblik genomineeerd voor de Winterspelen van 1964! En er komt nog een concessie. Willy de Beer en enkele jonge talenten, waaronder de zusjes Beppie en Carry Geijssen, krijgen een uitnodiging om ‘s zomers onder leiding van Ben Holleboom met de herenkernploeg mee te trainen op het CIOS in Overveen. Maar één rijdster krijgt geen uitnodiging: met haar 25 jaar acht de schaatsbond de Delftse politieambtenaar Stien Kaiser al veel te oud voor een uitnodiging. “U gaat vast snel trouwen en bent daarmee verloren voor de topsport”, zo krijgt de verbouwereerde “mejuffrouw Kaiser” te horen….
Een vroege aanwijzing kan problemen opleveren, zo merkt de schaatsbond in de loop van het seizoen 1963/64. Niet alleen de pas 17-jarige Carry Geijssen, maar ook die dekselse Stien Kaiser boekt enorme progressie. Dat wordt lastig, want de schaatsenrijdersbond is toch echt niet van plan om meer dan één rijdster naar de Winterspelen af te vaardigen. En Willy de Beer is al genomineerd…. Goede raad is duur en men besluit om Carry Geijssen met Willy de Beer als “vrouwenploeg” met de mannenkernploeg naar het traditionele trainingskamp in het Noorse Hamar te sturen. Een nieuwe doorbraak, want voor het eerst sinds Jaap Eden in 1893 als eerste Nederlandse hardrijder in Hamar trainde, herbergt de Nederlandse kernploeg voor het eerst twee vrouwen!
Bij diverse traninigwedstrijden verslaat Carry steeds vaker haar vijf jaar oudere landgenote. Bij een internationale wedstrijd geeft ze in 48,0 op de 500 meter maar een seconde toe op de Amerikaanse Jean Ashworth, winnares van Olympisch brons in Squaw Valley. Willy de Beer blijft in 50,0 ver achter. Probleem voor de bond: moet Carry niet ook naar de Spelen? En hoe zit het met de meiden die in Nederland zijn achtergebleven? Stel dat die nog harder gaan?
Na urenlang beraad hakte de “Technische Commissie” van de schaatsbond een knoop door: er komt -voor het eerst in de schaatsgeschiedenis!- een nationale selectiewedstrijd voor vrouwen (of “dames”, zoals de officiële benaming bij de langebaan altijd is gebleven). Willy de Beer, immers voorgeselecteerd, hoeft daar natuurlijk niet aan mee te doen. Maar Carry wel, want anders is er helemaal geen vergelijking mogelijk. En zo staan er op 24 en 25 januari in de druilerige regen 22 meisjes en vrouwen van tussen de 15 (Truus Veldhof) en 27 (Corry Ruben) jaar aan de start van de “nationale selectiewedstrijd”. Maar waar is die selectie eigenlijk voor? Voor de Olympische Spelen toch zeker wel? Nee, nee, haast de bond, daar gaan wij niet over. De selectiewedstrijd is alleen voor het wereldkampioenschap in Zweden. Willy de Beer gaat daar zeker heen, en misschien nog wel één of twee meisjes!
Op de 500 meter blijkt Carry Geijssen inderdaad de sterkste. Wil van Wees uit Muiden wint de 1000 meter, en op de langere afstanden is de 25-jarige, als “te oud” bestempelde Stien Kaiser uit Delft veruit de sterkste. Zij wint ook het eindklassement, vóór Carry Geijssen. Die dekselse Stien: moet de bond haar nu toch naar Zweden sturen voor het wereldkampioenschap? Nou vooruit dan maar, samen met Carry Geijssen en Willy de Beer natuurlijk. Onder leiding van coach Henk Lamberts, die de heren dan maar even aan hun lot moet overlaten.
Er lijkt geen vuiltje meer aan de lucht, maar in Zweden krijgt coach Lambert te horen dat hij alsnog een selectiewedstrijd moet houden, het liefst over één rondje op tijd. Hoe precies, dat moet hij zelf maar uitmaken, maar de opdracht is dat er maar twee vrouwen aan het WK mee mogen doen. En Willy de Beer is daar natuurlijk één van… Eén rondje op tijd: het lijkt of het bedacht is om Stien Kaiser te wippen. Natúúrlijk is sprintster Carry in één rondje sneller dan stayer Stien. Een ontgoochelde Stien legt zich neer bij het noodlot en verliest inderdaad. In Kristinehamn, waar zes jaar eerder Rie Meijer Olympische hoop kreeg, mag Stien Kaiser naast coach Lamberts de rondentijden doorgeven aan haar schaatscollega’s. Dat ze dit met overgave doet, tekent het doorzettingsvermogen en de sportiviteit van de Delftse rijdster. Dat Willy de Beer Varry Geijssen vóór blijft (14e en 23e – Carry is duidelijk wat oververmoeid) is een hele opluchting voor de schaatsbestuurders. Willy de Beer mag Nederland als enige hardrijdster vertegenwoordigen bij de Winterspelen!
Na afloop van het wereldkampioenschap worden de deelneemsters aan het wereldkampioenschap uitgenodigd om in Zweden nog wat demonstratiewedstrijden te rijden. Schaatsen is populair in Scandinavië, en ook voor een wedstrijd van vrouwen willen de noorderlingen wel naar buiten komen. Stien ruikt haar kans. Aan deze wedstrijden kan niemand haar verbieden mee te doen. En zelfs de oppermachtige Russinnen doen mee! Als ze ooit de kans heeft om zich internationaal te manifesteren is het nu. En zo staat Stien op een steenkoude dinsdagavond op de Ramdalen-ijsbaan in het Zweedse Oxelösund aan de start van een 1500 meter. Het gaat nergens om, zo lijkt het, maar voor een getergde Stien gaat het om alles. Wraakzuchtig is ze niet, maar eerzuchtig des te meer. Nú kan ze laten zien wat ze waard is, en ze doet het! Op maar twee seconden achter vice-wereldkampioene Inga Voronina (inderdaad- de Russische die ruim een jaar later door haar echtgenoot vermoord zou worden) wordt ze tweede, nog vóór Tamara Rylova (nummer drie van het wk) en Klara Guseva. En Willy de Beer? Die wordt zesde op meer dan vier seconden achterstand van Stien. Een dag later op de Stålringen-ijsbaan in Hofors hetzelfde verhaal: Stien blijft Willy de Beer in een tweekamp ruim voor. Maar mag ze nu ook naar de Winterspelen? Nee, natuurlijk niet: daarvoor heeft het NOC alleen Willy de Beer geselecteerd en die heeft zich bij het WK de beste Nederlandse getoond. Wat daarna gebeurt dringt niet meer door tot de burelen van de Olympische keuzeheren. Dat de pers zich er wel wat over verwondert, is een teken dat de hardrijdende vrouwen toch heel voorzichtig een klein beetje serieus worden genomen.
Echt ontspannen voelt Willy de Beer zich niet in Innsbruck. Bij de hardrijploeg hangt de debutante er maar een beetje bij. Sjoukje Dijkstra is vanzelfsprekend de enige vrouw die aandacht krijgt van de pers. En van de koningin, die speciaal voor haar naar de Winterspelen is gekomen. Op de winderige ijsbaan, waar Kees Verkerk verrassend zilver wint op de 1500 meter, rijdt Wil de Beer anoniem haar rondjes op de 1000, 1500 en 3000 meter. Ze blijft ver verwijderd van haar persoonlijke records en scoort als zestiende op de 1500 meter haar beste resultaat. Teleurstellend, maar voor de schaatsbond ook geruststellend: Nederlandse hardrijdsters kunnen nog steeds geen potten breken. Behalve met kunstrijden, want de gouden medaille van Sjoukje Dijkstra -de eerste voor Nederland bij de Winterspelen!- bevestigt eens te meer dat Nederlandse vrouwen veel beter geschikt zijn voor kunstrijden dan voor hardrijden. Dat hoeft voortaan niet meer bewezen te worden.
Stien Kaiser en haar hardrijdende zusters denken daar anders over. In maart staat als toetje van het seizoen het Nederlands kampioenschap nog op de agenda. Voor Stien de eerste én laatste kans om in eigen land te tonen wie er werkelijk in Innsbruck had moeten rijden. In het nieuwe IJsselstadion in Deventer rijdt Stien al haar tegenstandsters compleet naar huis. Ze wint niet alleen alle afstanden in nieuwe baanrecords, maar slaat ook een immens gat met haar concurrentes Wil van Wees (tweede), Willy de Beer (derde) en Carry Geijssen (vierde). Het verschil tussen Stien en Olympiaganger Willy de Beer bedraagt bijna tien punten! Zou Stien met hetzelfde verschil Willy de Beer in Innsbruck zijn voorgebleven, dan had ze aan de medailles geroken. Stien Kaiser is gediscrimineerd, zo komen ten slotte ook de kranten tot de conclusie!
Wat niemand verwacht gebeurt: de KNSB steekt de hand in eigen boezem. Na lange vergaderingen wordt er een brief opgesteld waarin excuses worden aangeboden aan Stien Kaiser. Stien zelf maakt de brief openbaar, waardoor hij ook in diverse kranten gepubliceerd wordt. De inhoud van dit sporthistorisch unieke document, dat verrassend in de tutoyerende vorm is opgesteld, luidt als volgt:
Amsterdam, 28 april 1964
Beste Stien,
“Het dagelijks bestuur en de technische commissie langebaan hebben de kwestie met betrekking tot het niet deelnemen van jou aan de wereldkampioenschappen voor dames hardrijden te Kristinehamn met de daaraan voorafgaande selectie onderzocht. Gebleken is dat de grootst mogelijke meerderheid van het dagelijks bestuur en van de technische commissie de bedoeling had jou als nummer één te laten rijden op de wereldkampioenschappen en tegen het houden van selectie was. Dat het niettemin toch kon gebeuren dat een selectie werd gehouden en jij niet werd toegelaten tot het deelnemen aan de wereldkampioenschappen is te wijten aan een serie misverstanden en een gebrek aan communicatie tussen de tc-leden in Nederland enerzijds en het dagelijks bestuur en de overige tc-leden in Innsbruck anderzijds. Wij beseffen dat Jij hierdoor ernstig bent gedupeerd hetgeen door ons ten zeerste wordt betreurd. Volgens het binnengekomen rapport van de coach H. Lamberts heb jij deze teleurstelling buitengewoon sportief opgevangen hetgeen ons veel genoegen doet. Op de nationale kampioenschappen in Deventer heb je op ondubbelzinnige wijze getoond de sterkste rijdster van Nederland te zijn. Wij hopen dat dit succes voor jou een ruggesteun zal zijn om onvermoeid door te gaan met je training en dat dit zal mogen leiden tot een groei naar de internationale top.”
Met de meeste hoogachting,
H. Wesselo, voorzitter KNSB
H. Roos, secretaris KNSB
En zo gaat de KNSB door het stof voor de vooraf afgeschreven want al 25-jaar oude en binnenkort gehuwde en vermoedelijk snel zwangere en dus niet meer sportwaardige Stien Kaiser. Een nieuw keerpunt in de lange weg naar emancipatie van de hardrijdende schaatsvrouwen is gemarkeerd.
Wie A zegt moet ook B zeggen. In mei 1964 gaat de schaatsbond de zomertraining van de vrouwen serieus aanpakken. Er komen twee “kernploegen”: één voor de regio West (de rijdsters die op de Jaap Edenbaan trainen) en één voor de regio Noord-Oost (de rijdsters die in Deventer, de tweede kunstijsbaan van het land, trainen). De namen van deze eerste generatie vrouwenkernploegleden zijn het waard om te memoren. De “ploeg West” bestaat uit: Stien Kaiser, Wil van Wees, Willy de Beer, Carry Geijssen, Beppie Geijssen, Alida Groot, Wil Burgmeijer, Tineke Hamstra, Gerrie Luchies, Nel Veeke, Lenie Compier en Corry Ruben. De Noord-Oostploeg bestaat uit Ans Schut, Wil van Dijk, Tjitske Bekkema en Henny Hondeveld. Een kernploeg van zestien meiden: het kan niet op! Maar is daarmee ook de emancipatie een feit? Dat moet blijken als de ijsbanen weer open gaan….
Het seizoen begint met een nieuwe schaatsrel. Kernploegtrainer Henk Lamberts dient boos zijn ontslag in. Lamberts heeft ruzien met de schaatsbond over vergoedingen voor zijn werk. Omdat de trainer ook in dienst is van de Duitse schaatsbond (!), was er een onduidelijke afspraak over welke bond zijn onkosten zou betalen. Lamberts wordt de dupe van die onduidelijkheid en geeft er de brui aan. Zijn opvolger staat snel klaar, het heeft er zelfs de schijn van dat het conflict met Lamberts in scène is gezet. De nieuwe man is Anton Huiskes. Oudrijder en zelfs oud-wereldrecordhouder op de 3000 meter, een wereldrecord dat liefst tien jaar stand hield en pas in 1963 door de Noor Knut Johannesen was verbeterd. Huiskes is een uiterst aimabele man met moderne opvattingen. Dat ligt goed bij opkomende talenten als Ard Schenk en Kees Verkerk. Maar Huiskes heeft ook een uiterst conservatief trekje: van hardrijdende vrouwen moet hij niets hebben. En dus wordt er bij de start van het nieuwe schaatsseizoen weer een flinke stap terug gedaan: de zestien meiden die in “kernploeg West” en “kernploeg Noord/Oost” in de zomer centraal hebben kunnen trainen, staan eenmaal op het ijs weer in de kou. Op advies van de nieuwe coach worden er naast tien mannen geen vrouwen in de kernploeg opgenomen. De vrouwen mogen het weer zelf uitzoeken. En dat doen ze! In de trainingsploegjes die ze in Amsterdam en Deventer vormen, is het onrecht dat de vrouwen wordt aangedaan een vast gespreksonderwerp.
Bij de selectiewedstrijd voor dames in 1964 op de Jaap Edenbaan was Corry Ruben de oudste deelneemster: nog twee jaar ouder dan de voortijdig door de bond afgeschreven Stien Kaiser. Niet voor zichzelf, voor een internationale carrière vindt ze zich ook zelf te oud, maar voor al die jonge meiden met ambitie bedenkt ze een plan om die conservatieve mannetjes van de schaatsbond een hak te zetten.
“We wilden de KNSB een lesje leren,” zo blikt de nu 72-jarige Corry Ruben terug op wat je de “feministische revolutie” in de schaatssport kunt noemen. “Waarom mochten wij niet wat de mannen wel kregen? Een eigen kernploeg. We kregen bovendien steun van mensen als Gé van Amerongen, de directeur van de Jaap Edenbaan, en André Koornstra, een schaatssupporter die bij Heineken werkte en stiekem wel eens wat sponsorde. Die zeiden ook: doe het gewoon zelf!”
De meiden die Ruben spreekt zijn allemaal enthousiast: ze gaan zelf een kernploeg formeren en een trainingskamp in Noorwegen organiseren. Maar een kernploeg zonder trainer is natuurlijk niets. Dat Ruben zelf een trainersdiploma heeft, betekent niet dat ze zelf de groep wil trainen: “Ik was vermoedelijk de enige vrouw met een officieel schaatstrainersdiploma- nog gehaald in een klasje met o.a. Leen Pfrommer. Maar om zelf die groep te trainen, daar had ik te weinig ervaring voor vond ik.”
Wie zou dan trainer kunnen worden? Stien Kaiser heeft een voorkeur voor haar eigen trainer Piet Zwanenburg. De Rotterdammer staat bekend om zijn talent om schaatsers technisch goed te laten rijden. Bovendien is hij zelf internationaal schaatser geweest (in 1939 deelnemer aan een Europees kampioenschap in Riga), en was hij trainer van Henk van der Grift toen die zijn verrassende en voor het Nederlandse schaatsen zo stimulerende wereldtitel in 1961 in Gothenburg behaalde. En Zwanenburg werkt ook graag met vrouwen: in Zuid Holland heeft hij dat laten zien. In de strenge winter van 1963 organiseerde Zuid Holland bovendien als eerste gewest een provinciaal kampioenschap voor dames, de wedstrijd waar Stien Kaiser haar eerste langebaanwedstrijd reed en met voor Nederlands natuurijs uitstekende tijden zichzelf in de kijker reed.
Piet Zwanenburg, al snel “ome Piet” voor de meiden, zegt zijn steun toen onder voorwaarde dat de schaatsbond zijn onkosten vergoed. De bondsbestuurders (met name voorzitter Wesselo en secretaris Henny Roos, ook bekend en berucht als internationaal scheidsrechter en bestuurder) zeggen na lang beraad toe: ze snappen dat een afwijzing vermoedelijk tot negatieve publiciteit zal leiden. Als de vrouwen zelf hun kosten betalen, kost het de bond vrijwel niets.
Gejuich op Amsterdams en Deventer kunstijs. Corrie Ruben neemt opnieuw de leiding: “We wilden naar Oslo, daar kon je vanaf Rotterdam toen vrij goedkoop heenvliegen. We hebben achttien meiden geselecteerd en aan alle ouders heb ik een brief gestuurd om toestemming te geven. Beneden de 21 was je toen nog minderjarig, en dat waren ze bijna allemaal. Voor geld moesten ze zelf zorgen, maar veel lokale ijsclubs hebben gesponsord. Ook ome Piet is nog bij alle ouders langs geweest, want die wilden natuurlijk ook weten met wie ze hun dochters meestuurden.”
Stien Kaiser regelt de trainer, Corrie Ruben regelt de reis, en Tineke Hamstra, in Amsterdam werkzaam bij de Nederlandse Jeugdherbergcentrale, regelt een goedkoop verblijf bij haar Noorse collega’s in Oslo. Piet Zwanenburg, in het dagelijks leven gemeenteambtenaar, sprak goed Noors en had bovendien goede contacten met de ASK, de Arbeiders Schaatsclub in Oslo. Die club beheerde de aloude Frogner-ijsbaan bij het Vigeland-park, waar de standbeelden van Oscar Mathisen en Sonja Henie de toegang markeren. Historischer schaatsgrond kon je nergens ter wereld vinden. En dáár zou opnieuw geschiedenis geschreven gaan worden.
Eerst moet er begin januari in eigen land nog een nationaal kampioenschap verreden worden. Als vlak vóór de kerst de vorst invalt, betekent dat bovendien rijden op natuurijs. Tenminste, als er wedstrijden voor vrouwen gehouden worden. Gelukkig valt dat mee. In Friesland alleen al organiseren de ijsclubs in Oldeboorn, Midwolda en Jorwerd aparte wedstrijden voor vrouwen. Bij de wedstrijd in Jorwerd wordt bovendien de heren-kernploeg uitgenodigd voor een demonstratie. In de schaduw van Ard&Keessie, Peter Nottet en Rudie Liebrechts wint Henny Hondeveld uit Laren de vrouwentrofee.
Als het al weer dooit gaat in Amsterdam de nationale titelstrijd van start. Tegenover 26 mannen staan er 14 vrouwen aan de start. Spannend wordt het niet bij de vrouwen, want Stien Kaiser is oppermachtig. Wil van Wees mag de 500 meter winnen en Carry Geijssen de 1000 meter, maar op de twee langste afstanden komt niemand in de buurt van Stien. Op het podium verschijnt voor het eerst een bijzonder schaatstrio: Stien Kaiser wordt geflankeerd door Carry Geijssen (zilver) en Ans Schut (brons). Dit trio wordt ook aangewezen voor het wereldkampioenschap in het Finse Oulu in februari.
Het begint al bijna op een volwassen schaatsseizoen te lijken. Direct na het nationale kampioenschap krijgen Stien, Carry en Ans te horen dat ze met Piet Zwanenburg mee mogen naar de Dynamo-Cup in Oost-Berlijn. Een jaar eerder zijn drie Amsterdame meiden (Beppie Geijssen, Tineke Hamstra en Alida Groot) daar op eigen initiatief heengegaan, en dat was een groot succes. De Dynamo-Cup is in de jaren zestig feitelijk de enige internationale vrouwenwedstrijd naast het wereldkampioenschap. Spannend bovendien, want in Oost-Berlijn komt in die tijd bijna niemand. Maar er ligt wel een gloednieuwe kunstijsbaan! In een strijd tegen sterke Oost-Duitse en Poolse vrouwen (de Russinnen ontbreken helaas), laat het drietal zien wat ze waard zijn. Stien wint de cup, Carry wordt tweede en Ans vierde. Tussen hen in dulden ze alleen Helga Haase, de Olympische 500 meter-kampioen (en zilver op de 1000) van Squaw Valley.
Terug uit Berlijn kunnen de koffers alweer herpakt worden voor Oslo. Paroolverslaggever Rien Bal, een vertrouwensman van de schaatsmeiden, krijgt de primeur en meldt op maandag 4 januari 1965 in zijn krant: “18 hardrijdsters voor training naar Oslo”. De namen worden allemaal genoemd: “De achttien meisjes die in een jeugdherberg de veertien dagen logeren, zijn: Marijke Hoogduin (Zwanenburg, 19 jaar), Ans Schut (Apeldoorn, 20 jaar), Willy van Dijk (Kampen, 20 jaar), Alie Groot (Medemblik, 18 jaar), waarschijnlijk Nel Feeke (Krommeniedijk), Lenie Compier (Noordwijk, 18 jaar), Ria Bos (Maasdam, 21 jaar), Gerrie Luchies (Rustenburg, 17 jaar), Ante van Bohemen Noordwijk, 20 jaar), Willy Burgmeyer (Nieuwveen, 17 jaar), Beppie en Carry Geijssen (Amsterdam, 19 en 17 jaar), Hennie Hondeveld (Laren, 18 jaar), Nel Lamers (Angeren, 19 jaar), Stien Kaiser (Delft, 26 jaar), Wil van Wees (Muiden, 22 jaar) en Corry Ruben (Amsterdam, 28 jaar).”
Over de reis laten we Corry Ruben aan het woord, die voor “de IJsbode”, het officiële orgaan van de KNSB, een verslag schreef:
“Het vliegen was voor velen de eerste keer; helaas waren de weersomstandigheden van dien aard, dat het toestel nog al eens schommelde en er vielen dan ook wel enkele witte neuzen te bespeuren. Vanaf het vliegveld Oslo gingen we met de bus naar Haraldsheim, onze jeugdherberg, waar we veertien dagen zouden vertoeven. Bij aankomst werd ons nog een warme maaltijd geserveerd, die wij ons goed lieten smaken. Het was inmiddels 9 uur, zodat wij onze kamers opzochten, koffers uitpakten en daarna een douche namen, en vervolgens vlug gingen slapen.”
Vijfenveertig jaar later wil Corry Ruben er nog wel wat details aan toevoegen: “op advies van ome Piet hadden alle meiden en halve liter jenever meegenomen. Niet om zelf op te drinken, maar om weg te geven. Alcohol was ook toen al peperduur in Scandinavië. Ik heb al die flessen ingezameld en in een kluis gestopt. Van meisjes die slecht met geld konden omgaan, en daar kwam je snel genoeg achter, hen ik ook het geld ingenomen en een huishoudboekje voor ze gemaakt. Konden ze precies zien wat ze uitgaven. Heimwee kwam natuurlijk ook veel voor: de meisjes die daar last van hadden sliepen bij mij op de kamer. En Ans Schut was net verliefd. Die moest elke avond bellen met haar Sjaak, anders kreeg ze het ook te kwaad.”
Bij aankomst heeft ome Piet meteen al een enorme verrassing. Via zijn Noorse contacten heeft hij voor alle meiden kaartjes geregeld voor de interland Noorwegen-Sovjet Unie in het fameuze Bislet-stadion. Tussen de 25.000 in Noorse truien en mutsen getooide toeschouwers kijken de meiden hun ogen uit. Corry Ruben heeft vooral oog voor de techniek van de heren. In De IJsbode schrijft ze: “De Russen hebben een verfijnde techniek, blijven glijden, een lust voor het oog; de Noren daarentegen duwen er meer tegen aan. Na afloop waren we in zo’n schaatsstemming, dat we zelf direct de schaatsen wilden onderbinden. Dit deden wij dan ook de volgende dag op de Frogner-ijsbaan, ‘s ochtends en ‘s middags: gelukkig had het ‘s nachts wat meer gevroren.”
Tussen het trainen en het slijpen van de schaatsen door (ome Piet sleep elke zelf de schaatsen van alle meisjes!), heeft de coach een wedstrijd geregeld in Fagernes. De ijsclubvoorzitter aldaar kent hij al vele jaren. Met Henk van der Grift kwam hij er vaak en Van der Grift woonde er zelfs een aantal jaren om vroeg in het seizoen op het ijs te kunnen staan. Omdat de ijsclub in Fagernes nauwelijks meisjes als lid heeft, wordt er tegen de junioren-jongens gereden. De lokale bevolking vindt het prachtig en de Hollandse meiden zetten hun beste schaatsbeentjes voor. Corry Ruben in de IJsbode: “Stien Kaiser reed een bijzondere 3000 meter in 5.17,6: een wereldtijd. Carry Geijssen 500 meter in 48,6, de 3000 meter in 5.26: geweldig! De omstandigheden waren ook gunstig, weinig wind, goed ijs, lichte sneeuwval. De bewoners enthousiast door het goede rijden van de meisjes zodat de heer Zwanenburg, daar zeer goed bekend, vele pluimen kreeg. Woesndagavond waren we met z’n allen uitgenodig bij Kees-Jan Kroon die daar woont, oud-lid van de kernploeg die Willy Burgmeyer indertijd de eerste schaatsbeginselen heeft bijgebracht. Voor haar was dit bijzonder leuk, ze heeft daar die twee nachten gelogeerd.”
Terug in Oslo wacht de meiden weer een verrassing: deze keer zijn er kaartjes voor het schansspringen op de beroemde Olympische Holmenkollen-schans: “de grootsten van Noorwegen maakten daar sprongen van 70, 80 meter. Enorm imponerend.” Zondag zijn er wedstrijden in Holmestrand, waar de meiden per bus heengaan. Ook de sterke Noorse kampioene Sigrid Sundby gaat mee. Maar ook zij is niet opgewassen tegen de snelheid van Carry (ze wint de sprint) en Stien (wint 1500 meter). Bij de juniores is Willy Burgmeyer de beste. Maar ook de nieuwe persoonlijke records van Nel Feeken en Gerrie Luchies worden door Corry Ruben in haar verslag opgenomen: “in het algemeen klassement bij de eerste twaalf tien meisjes van onze groep: een fijn succes! Na de prijsuitreiking werd ons door de gemeente Holmestrand een diner aangeboden en een aandenken in de vorm van een lepeltje: al bij al een fijne dag.”
Maandag alweer feest: Wil van Wees én Henny Hondeveld zijn jarig: “Er werd koffie geserveerd en getracteerd op Noorse blut-cake, iets verrukkelijks. Het was een fijne avond.” Dinsdag en woensdag zijn er weer wedstrijden, deze keer op de Jordal-baan, de derde ijsbaan van Oslo. Bij sneeuw en wind wordt Carry voor het eerst verslagen. De Noorse Gerd-Inger de Groot blijft haar in 48,0 tweetiende voor. De 1000 meter wint Carry wel. De 1500 en 3000 meter zijn vanzelfsprekend voor Stien. “Na afloop van de wedstrijd werd ons een heerlijk maal voorgeschoteld. Ook werd gememoreerd het eventueel uitwisselen van ploegen. (Bravo!). Allen mochten een aandenken ontvangen in de vorm van een Noors bordje. Donderdag geen vast programma, men mocht winkelen, stad bezichtigen of skiën.”
Op 1 februari is het afscheid nemen. Piet Zwanenburg gaat zoals afgesproken met Stien, Carry en Ans naar het verre Finse Oulu om daar aan het wereldkampioenschap mee te doen. De overige vijftien meiden vliegen weer terug naar Rotterdam. Soepel verloopt die vliegreis opnieuw niet: “Na een half uur in de lucht te zijn geweest, moest wegens motorstoring het toestel weer omkeren en terug naar Oslo. Het werd 5 uren wachten, niet prettig. Eindelijk om half vier steeg het toestel weer op, niet direct naar Rotterdam, maar via Hamburg. Al met al om 8 uur ‘s avonds op Zestienhoven. Hier stonden nog vele familieleden, vrienden en belangstellenden op ons te wachten. Daar sommigen moesten proberen de trein te halen, hebben wij snel afscheid van elkaar genomen.”
In Noorwegen is schaatsgeschiedenis geschreven, maar in Finland volgt direct een nieuw hoofdstuk. Bij het WK in het Finse Oulu mag Stien Kaiser ondanks haar 26 jaar eindelijk haar debuut maken bij een wereldkampioenschap. In een desolaat decor doet ze dat met verve. Achter de nieuwe wereldkampioene Inga Voronina en tweevoudig wereldkampioene Valentina Stenina wordt Stien verrassend derde en schrijft opnieuw schaatsgeschiedenis: ze is de eerste Nederlandse vrouw die bij een WK het podium haalt en bovendien doorbreekt ze een twaalfjarige hegemonie van de Sovjet-dames, die immers sinds 1953 zonder onderbreking de drie ereplaatsen voor zich opeisten. Met Carry Geijssen als zevende (Ans Schut is reserve) blijkt wat twee weken trainingkamp kan betekenen. Dat de Nederlandse vrouwen nog geen nationaal trainingspak hebben, en in hun eigen kloffie moeten opdraven, doet daar niet aan af. De Russinnen, die al vanaf oktober gezamenlijk trainen, zijn gewaarschuwd!
Op 12 februari schrijft Rien Bal onder de kop “Corry Ruben organiseerde schaatstrip – “ook met dames kunnen wij aan de top komen” een groot verhaal in Het Parool over het geslaagde Noorse trainingskamp van de 18 schaatsmeiden. “Stien was nooit zover gekomen zonder het trainingskamp dat wij op eigen initiatief hebben georganiseerd”: zo stelt Corry Ruben. Bal vervolgt: “Het trainingskamp is voor Corry Ruben één van de hoogtepunten uit haar schaatscarrière geworden. Het werd een best resultaat omdat deze voor de dames unieke training slaagde en vooral: aantoonde dat een voorbereiding in Noorwegen, evenals dat met de heren het geval is noodzakelijk is en Nederland ook bij het damesschaatsen tot een sterke natie kan maken. Ruben: “nu wij hebben doorgezet, blijkt het gelijk aan onze kant. Stien en Carry konden nu wennen aan het klimaat, alle beslommeringen vielen weg, zij konden zich concentreren, zij konden zich geestelijk voorbereiden. En dat geldt natuurlijk voor de hele ploeg. Wij zijn met achttien meisjes vertrokken. De hele dag in teamverband doorbrengen kwam de mentaliteit ten goede. En het is duidelijk bewezen dat bijna alle meisjes vooruitgegaan zijn. (…) Volgend jaar mogen we met vier meisjes meedoen aan het wereldkampioenschap. In 1968 zijn de Olympische Winterspelen in Grenoble. Daar is een enorme voorbereiding voor nodig en dat kan alleen wanneer de training op hetzelfde niveau ligt als bij de mannen. Geloof gerust dat er wat komt. Vrouwen zijn fel, maar ze moeten weten waarvoor ze het doen.”
Als toetje na een lang schaatsseizoen reizen Stien, Ans en Carry naar het op de poolcirkel gelegen Rovaniemi om daar nog een demonstratiewedstrijd te rijden. Met min 25 wordt het de koudste wedstrijd die ze ooit zullen rijden. Maar ze rijden, natuurlijk. En ze worden gewaardeerd én erkend. Als op 7 maart op de Deventer kunstijsbaan de kernploeg gehuldigd wordt voor de uitstekende prestaties van het voorbije seizoen, krijgen Stien Kaiser, Carry Geijssen en Ans Schut ook een uitnodiging. Op de foto die het ANP verspreidt, wordt de gelijkberechtiging van de schaatsdames mooi gesymboliseerd: op het ereschavot mogen Stien, Carry en Ans de eretredes delen met Kees Verkerk, Rudie Liebrechts en Piet Modder. Ard Schenk, de kopman van de mannen, had daar eigenlijk ook moeten staan maar de blonde god uit Anna Paulowna viert dan nog feest in Noorwegen, waar hij als eregast van de Noorse kernploeg mee mag op de beroemde en beruchte “Noord Noorwegen-toernee”: bekend vanwege de “sex en drugs en rock&roll.” Er is veel gewonnen in het seizoen 1964/65, maar of de schaatsvrouwen zó’n status ook ooit zullen verwerven?
Op 18 mei 1965 maakt de KNSB de nieuwe kernploegen bekend. Alsof het nooit anders geweest is, wordt een zelfstandige kernploeg van de dames aangewezen. De leden van de allereerste officiële dameskernploeg zijn: Wil Burgmeyer (Nieuwveen), Wil van Dijk (Kampen) Beppie Geijssen en Carry Geijssen (beide Amsterdam) Henny Hondeveld (Laren-Gld), Stien Kaiser (Delft), Nel Lamers (Angeren), Ger Luchies (Rustenburg), Ans Schut (Apeldoorn), Elly Vermeulen (Amsterdam) en Wil van Wees (Muiden). Met dank aan Corry Ruben.
(met dank aan Stien Kaiser, Carry Geijssen, Ans Schut, Wil van Wees en Corry Ruben)


Marnix,
Geweldig deze informatie op deze weblog. Jammer dat dit niet meer in je programma pastte. Misschien kan je het publiceren in een Schaatskroniek of boek. Deze informatie moet niet alleen op dit weblog komen en mag niet verloren gaan.
Als gewest NH/U hadden we over die selecties niets meer te vertellen. Dat vond ik heel erg jammer.
Chris Albers (86)
In navolging van het boek “Ard” moet er toch ook belanstelling bestaan voorn het boek “Stien”, of moet er een boek komen over de hele ploeg van Piet Zwanenburg?