De vader die zijn ziel verloor in Indië
“Ze konden het nooit los laten” schrijft een dochter van een Indië veteraan.
Indringende reacties ontvingen wij op onze verhalen over de invloed die de koloniale oorlog had op de gezinnen van oud-militairen. “Nooit heeft hij hulp gehad om te verwerken wat hij moest doormaken.” En: “Mijn vader is een paar keer opgenomen geweest.”
Onder de reacties was ook het verhaal van Esther Lunter. Zij beschrijft indringend wat het betekent kind te zijn van een Indië veteraan.
Wilt u reageren op het verhaal van Esther dan kan dat, via het weblog “Emotioneel was hij kapot”
“Negentien jaar oud was mijn vader in 1946 toen hij als dienstplichtige werd opgeroepen. Nederland had militairen nodig voor deelname aan de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. De Nederlandse soldaat zou er orde en veiligheid komen brengen, na de Japanse capitulatie en alles op alles zetten om Indonesië als kolonie te behouden. Politionele acties noemden ze het in die tijd. Niet wetend wat hem boven het hoofd hing en loyaal aan Nederland is mijn vader gegaan. Onder het mom deel te gaan nemen aan politionele acties, kwam mijn vader in een oorlog terecht waarop hij niet was voorbereid. Mijn vader is heelhuids thuis gekomen. Dat ik dat letterlijk moest nemen heb ik pas veel later geleerd.
Mijn vader trouwde pas tegen zijn 40ste en wij werden in de jaren 60 geboren. Toen we nog jonge kinderen waren bekeken we wel eens zijn marinespelden die in een doosje lagen en ook zijn foto’s. Dan vroegen we er naar, maar hij vertelde er nooit iets over en wij dachten dat het om een soort sportwedstrijd was gegaan. We waren te jong om te begrijpen wat daar gebeurd was. Hij overleed op 58 jarige leeftijd en wij, ik en mijn twee zussen, waren toen dertien, zeventien en negentien jaren oud.
De familiejaren die we samen met hem hebben doorgebracht stonden in het teken van zijn onmacht. Voor ons was dat gewoon en hoorde bij mijn vader. Hij stond onverschillig tegenover mij en mijn zussen. Een naargeestig soort dreiging ging van hem uit. Ik herinner me hem als depressief, apathisch en paniekerig. Daar waar mogelijk ontweek ik hem. Bij het kleinste beroep dat wij op hem deden raakte hij in paniek en sloeg hij met zijn grote handen waar hij kon. Meestal, of eigenlijk altijd, sloeg hij mis en werd nog bozer. Hij sloeg mis omdat hij fysiek onevenwichtig en vaak zelfs kwetsbaar was. Wanneer het buiten glad was moesten wij mijn vader gaan halen van zijn werk omdat hij, zo’n 50 jaren oud, niet in staat was goed op eigen benen te staan. Hij dronk veel, dat maakte hem nog driftiger en onvoorspelbaar. Dat alles hoorde bij mijn vader en toen hij stierf was er vooral ook een soort opluchting zijn last niet meer te hoeven dragen.
Tropenkolder werd het genoemd, mannen die ontspoord terugkwamen uit Indonesië. Wij hebben nooit geweten dat het tropenkolder was, nog wat dat was. Het is geen bewust onderdeel van ons leven geweest. Het is ook niet ter sprake gekomen in ons gezin, al helemaal niet van buitenaf. Tegenwoordig zou je het een posttraumatische stressstoornis PTSS noemen, waar mijn vader aan leed en wordt het herkend en vindt ook behandeling plaats van veteranen die beschadigd terugkomen van militaire missies. Missies die geen van allen ook maar in de schaduw kunnen staan van de intensiteit van de oorlog in Indonesië.
De prijs die we als gezin betaald hebben is niet in woorden uit te drukken. Mijn moeder heeft zich van mijn vader afgekeerd omdat ze zijn leed niet kon dragen. Ze heeft hem tot het einde toe verzorgd, maar de prijs die ze moest betalen om zijn liefde te kunnen blijven was niet op te brengen. Als kind was ik aan mijzelf overgeleverd, met een vader die dringend hulp nodig had, een hulpvraag die wij bij lange na niet in konden vullen. Hulp echter die je als kind aan je vader geeft, vanuit een naïeve intuïtie en voorbij een grens die menselijkerwijze mogelijk is. Daarnaast overleef je op je eigen manier. Ik door hem te bespotten, zo een reactie uit te lokken, om dan weg te springen en vol spanning en adrenaline weer net aan zijn grote handen te ontsnappen. Altijd, altijd, maar dan ook altijd ben ik uit zijn buurt gebleven omdat hij gevaarlijk was. Verder leefde ik zomers met mijn vrienden op straat. s ‘Winters zat ik binnen, en was ik depressief, regelmatig ziek en blij met de eerste zonnestralen die aangaven dat ik weer naar buiten mocht.
Mijn vader is ziek geworden en gestorven. Een oude man van 58 jaren, kapot, zijn ziel zoek geraakt in Indonesië en onbereikbaar voor diegenen die van hem hielden. Achteraf was hij al kapot voordat hij met mijn moeder trouwde, al onbereikbaar voor diegenen die van hem hielden.
Mijn moeder is nog jonger gestorven, 52 jaren, veel te jong. Het onvermogen dat daar aan vooraf is gegaan vindt via mijn vader, voor een belangrijk deel, haar wortels in Indonesië.
Pas recent is de volle impact van zijn tijd in Indonesië voor mij duidelijker geworden. Het gezin waarin ik ben opgegroeid heeft die last gedragen. Mijn jeugd is er door gemankeerd. Mijn ouders zijn er alle twee aan onderdoor gegaan en hun onvermogen is onderdeel van ons geworden. Gelukkig zijn ik en mijn zussen sterk genoeg om ons eigen leven te dragen, maar het gevecht om te overleven duurt al lang en wordt deels nog dagelijks gevoerd.
Nu, na jaren pas, komt met het inzicht ook de pijn terug. En de pijn zet zich om in woede. Woede over zoveel wat niet besproken is, niet bespreekbaar was. Woede over het verzwijgen van wat er werkelijk gebeurde in Indonesië, wat mijn vader en al die andere Nederlandse soldaten daar moesten doen en gedaan hebben. Woede over het gezuiverde beeld van onze oorlog dat in Nederland zelf verteld werd, over de ontkenning van het werkelijke gezicht van de Indonesië oorlog, over de druk die breed is uitgeoefend om tot heel lang na 1949 een oppervlakkig beeld van onze Indonesië oorlog in stand te houden.
De Nederlandse staat heeft nog een rol te vervullen in het geven van een rechtmatige plaats van onze Indonesië oorlog in het beeld dat wij van ons land hebben, het land waarvoor mijn vader heeft gevochten. Zij heeft een rol te vervullen om die strijd ook een plek te geven in ons hart, zodat ook ons hart tot rust mag komen. Mijn vader, de opa van mijn kinderen, is door op te komen voor zijn nummer, door in Indonesië mee te vechten als marinier, loyaal geweest aan Nederland. Hij heeft zijn plicht vervuld. Dit staat in schril contrast met de pijn en het onvermogen, als gevolg daarvan, waarin ik ben opgegroeid. Het minste dat gedaan kan worden is zorg te dragen voor erkenning. En erkenning kan alleen echt tot stand komen als de pijn ook ten volle zichtbaar mag worden. Onderdeel van die pijn zijn niet alleen de strijd, het onnodig zijn van de oorlog, maar ook de wreedheden en de schaamte die daar het gevolg van was.
Nog steeds is het zo, dat er veel moet gebeuren voordat die volwaardige erkenning van strijd, pijn en schaamte rond onze Indonesië oorlog zijn plaats kan krijgen in het volle daglicht van het Nederland van nu. Mijn vader, mijn moeder, mijn zussen en ikzelf hebben recht op die erkenning. En Nederland heeft het recht om zijn eigen pijn in de ogen te mogen kijken.”
