De weblogs van de NOS worden niet langer bijgewerkt.

Voor nieuws Over de NOS kunt u terecht op over.nos.nl.
Voor de overige berichtgeving kunt u terecht op NOS.nl.

Terug uit Tripoli

De laatste reportage voor het Achtuurjournaal is net geüpload vanaf het balkon in ons uitgestorven hotel in Tripoli. Cameraman Johan Boerman en ik hebben tien dagen verslag gedaan van de val van de Libische hoofdstad en nu zijn we klaar. Het is al donker. Het is ook heel stil. Het suikerfeest is begonnen en iedereen zit bij familie thuis. Het is de eerste avond zonder geweervuur. We hebben honger.

Het hotel waarin we slapen is door de rebellen veroverd op de pro-Kadhafi-eigenaar. Er heeft een ware veldslag gewoed om het hotel in handen te krijgen: kogelgaten in televisies, ramen doorzeefd, deuren opengeschoten – we mogen zelf een kamer en later zelfs een kantoortje uitzoeken. Er is geen schoonmaakdienst, geen ontbijt anders dan zoute koekjes en blikjes tonijn en bijna geen koffie in de eerste week. Er liggen steeds vage figuren in de lobby te slapen met AK-47s binnenhandbereik. Het lijkt een crash-plek voor oververmoeide rebellen van buiten Tripoli.

Gastvrije Libiërs

Johan en ik besluiten een wandeling te maken. Als iedereen feestviert zal er wel ergens een deur openstaan, veronderstellen we. De Libiërs zijn ontzettend gastvrij gebleken in de afgelopen dagen. Binnen honderd meter van het hotel treffen we drie mannen op stoelen op straat. We hebben ze al eens eerder kort gesproken, maar nu moeten we komen zitten.

“U moet ons maar vergeven dat zo weinig mensen hier Engels spreken”, zegt een man die twaalf jaar in Finland heeft gewoond. “Kadhafi verbood het ons!”, roept hij fanatiek met opgeheven vinger. Een andere man staat wankel op zijn benen en roept teksten die onze Libische vrienden zelfs nauwelijks kunnen verstaan. Draaiende ogen, natte mondhoeken. “Hij is dronken”, zegt de Fin, alsof het niets bijzonders is op straat in een islamitisch land. “Hij drinkt altijd. Nu wil hij geld van mij lenen om drank te kunnen kopen, maar ik leen hem geen geld als ie dronken is want dan is ie het morgen weer vergeten. Ik leen hem alleen geld als ie nuchter is.”

Grote rokende joints op tafel

We luisteren naar verhalen over drank in Tripoli. Ze hebben eigen brouwsels, maar Russische wodka is het meest geliefd. Een fles kost 100 dollar. Ze schenken het in kleine waterflesjes zodat ze er onopgemerkt mee op straat kunnen zitten. “De nieuwe regering ga ik vragen om zo snel mogelijk hasjish toe te staan. Niet om in te handelen, maar om te roken, net als in Amsterdam”, zegt onze Finse vriend enthousiast als ie weet dat wij uit Nederland komen.

Hij neemt ons mee een winkel in die van buiten helemaal is dichtgetimmerd. Ik moet meteen aan Malle Pietje denken als we binnen zijn: een rommelruimte met schilderijen, foto’s, vazen en in het midden een cirkel met stoelen rondom een tafel. Er zitten verschillende mannen in een nevel van softdrugs.  Op tafel grote rokende joints. “Dit is onze wereld”, legt de Fin uit. “Buiten bepaalde Kadhafi wat er gebeurde, hier zijn wij onze eigen baas.”

Compromitterende situatie

We krijgen meteen een wodka voorgezet. Johan en ik spreken hardop af in onze eigen taal om geen joints aan te raken, want als er een inval komt heb je te veel uit te leggen. De hele situatie is sowieso compromitterend, maar voordat ik een besluit heb kunnen nemen om snel te vertrekken, komt er een keurige statige man binnenlopen die door de Fin wordt begroet met: “onze politiechef!”. Het blijkt een hooggeplaatste officier te zijn uit deze wijk. De man doet zijn witte pet af, buigt zich rustig over de tafel en pakt een joint. Hij neemt routineus een trek en kijkt rustig rond in deze groep van schreeuwers, dronkelappen, pot rokers en twee buitenlanders.

Ik ben nauwelijks bekomen van de komst van een politieman of er komt nog zo’n statige heer binnen. “Ah, onze eigen Abdel Jalil”, roept de Fin, verwijzend naar de voorzitter van de tijdelijke Overgangsraad van de rebellen. “Hij is de voorzitter van onze wijkraad.” Binnen een minuut zit ook deze autoriteit tevreden aan een joint.

Een opmerkelijk gezelschap

“Wat een opmerkelijk gezelschap hier in een dichtgetimmerde winkel”, lach ik tegen de Fin. Hij begrijpt mijn verbazing, lijkt het, en gaat nog even door. “Deze man…”, en hij wijst intimiderend naar een beetje kleurloze man direct naast me, “deze man likte een week geleden nog de reet van Kadhafi!”. Hij herhaalt zijn zin in het Arabisch tegen de man die hij nu in de borst prikt. Iedereen lacht hard. De beschuldigde man wijst naar een andere man aan de overkant van de tafel. “Ja, hij was ook een vriend van Kadhafi.”

Ik vraag hoe ze dan zulke goede vrienden kunnen zijn, maar terwijl ik mijn vraag stel zie ik een mitrailleurloop de winkel binnenkomen, gedragen door een zeer kleurrijke donkere man. Hij draagt de kleuren van de revolutie, rood, zwart, groen en een witte ster over zijn hele lichaam. De AK47 legt ie op een willekeurige plek neer. De Kadhafi-vrienden zouden er net zo makkelijk bij kunnen als de rebel zelf. Iedereen begroet elkaar.

Heb je bloed aan je handen?

“We kennen elkaar allemaal van zo klein”, zegt de Fin terwijl ie de hoogte van een peuter boven de grond afmeet. Bijna iedereen werkte met het regime van Kadhafi in de afgelopen 42 jaar. Dat was onvermijdelijk, dat begrijpt iedereen hier. We weten heel precies wat iedereen gedaan heeft en de enige grens die vandaag van belang is: heb je bloed aan je handen? Als iemand heeft meegedaan aan arrestaties, martelingen, moorden dan is ie niet meer welkom.”

“Deze mannen”, hij wijst op de twee blowers, “hebben geen bloed aan hun handen en dus zijn we vrienden gebleven.”

Foto’s van cameraman Johan Boerman

Deel deze pagina

« Terug naar het overzicht


Geef een reactie