Port-au-Prince: should I stay or should I go
Verslaggever Roel Pauw reist Haïtianen uit Port-au-Prince achterna die naar de provincie zijn getrokken in de hoop daar werk en onderdak te vinden.
In januari zag ik ze gaan: met hun huisraad in een zweterige taxi of in een overvolle bus. En dan die verdoemde stad uit. Vandaag reis ik ze na, in dit geval naar Saint-Marc, een kleine havenplaats 100 kilometer ten noorden van Port-au-Prince. Het duurt een half uur om het krankzinnige verkeer van de grote stad achter ons te laten. Maar dan gaat het opeens heel vlot. Over de ‘snelweg’ die kort geleden is aangelegd, halen we voor het eerst in tijden de 110 kilometer per uur. Ook al omdat er steeds minder verkeer is.
Bijna alleen nog maar enorme trucks, vrachtwagentjes en bussen. Vrijwel geen personenauto’s meer. Met elke kilometer lijk je meer lucht te krijgen. Bananenplantages, hier en daar een rijstveld. En het is bijna een bezienswaardigheid als je door een dorpje rijdt waar alle huizen nog wèl gewoon overeind staan.
Welkom
Als we de stad binnenrijden, komen we onder een spandoek door ‘een hartelijk welkom voor de slachtoffers die uit Port-au-Prince zijn vertrokken’. Nathalie is één van hen. Na de aardbeving wilde ze weg uit de stad. Nu woont ze met haar dochtertje van twee bij haar ouders. In het begin had ze heimwee naar Port-au-Prince, daar had ze haar leven en haar werk. Maar nu is het goed om in het kalme Saint-Marc te zijn. Haar dochtertje kan hier herstellen van het trauma dat ze heeft opgelopen. En Nathalie heeft een baan gevonden. Ze verdient aanzienlijk minder dan in de stad, maar het is in elk geval genoeg om weer op zichzelf te gaan wonen. Want als 33-jarige vrouw weer onderworpen te zijn aan het gezag van vader en moeder, dat is ook niet alles.
Je krijgt haar met geen stok meer naar Port-au-Prince, hooguit om een keer snel een nieuw paspoort op te halen. Ze wil er geen nacht meer slapen. Aan de andere kant ziet ze ook wel in dat er nadelen kleven aan een in leven in een provinciestad, zoals het slechtere onderwijs voor haar dochtertje.
Het verhaal van Jeanne Guirlande van 27 is weer heel anders. Zij ontvluchtte de horror van de aardbeving samen met drie jongere zussen. Hun huis had het begeven. Ook zij wonen nu bij hun ouders in. Er gaan dagen voorbij dat ze geen hap te eten hebben, vier monden extra dat is te veel voor een gezin zonder geregelde inkomsten. De vier zussen moeten dus weer weg. Ook al omdat Jeanne’s werk op 12 april weer begint. En haar zussen moeten weer naar school of naar de universiteit.
Tent
Waar ze gaan wonen, weten ze nog niet. Een huis huren is vrijwel onmogelijk: door de schaarste is dat onbetaalbaar geworden. Misschien maar in een tent ergens op een stukje land. Die tent hebben ze overigens nog niet. En ik bereid ze er maar vast op voor dat het ook niet zal meevallen een paar vierkante meter grond te vinden voor hun tentje. Ik krijg de indruk dat deze vrouwen geen idee hebben hoe het er op dit moment aan toegaat in Port-au-Prince. Ik vrees dat ze binnen de kortste keren in een van de afgrijselijke daklozenkampen terecht zullen komen. Waar berovingen en aanrandingen aan de orde van de dag zijn.
Met een mismoedig gevoel laten we Saint-Marc achter ons. Het schilderachtige platteland waar je als passant even op adem kunt komen, heeft uiteindelijk ook weinig te bieden voor berooide nieuwkomers. Het idee om de bevolking meer over het hele land te spreiden, zal alleen kans van slagen hebben als er stevig wordt geïnvesteerd in werk en scholing in een provincieplaats als Saint-Marc.
Op de terugweg maken we een stop in een klein vakantieresort aan de kust. Prachtig strand, uitstekend eten, comfortabele appartementen. Daar ligt het niet aan. Alleen is Haïti op dit moment niet zo’n aantrekkelijk vakantieland. Het strand is leeg, er dobberen vier zwemmers in zee. Iets verderop een kleine visserssloep die langzaam voorbij komt roeien. Misschien is de zee gul vandaag.
