Door Noraly Beyer
Op een najaarsavond in 1985 gooide Joop van Zijl mij in het diepe, nadat ik een paar dagen achter hem aan had gelopen. Voordat hij het laatste journaal van die dag zou presenteren, mocht ik proefdraaien in de studio. Helemaal alsof het echt was; de regie paraat, de tekst voor de autocue geknipt en geplakt en schmink op mijn gezicht. Toen ik klaar was, riep Joop in de intercom dat ik wel kon blijven zitten.
Het was vijf minuten voor uitzending. Gillend wegrennen kon niet. De gong ging al bijna. In de paar seconden voor mijn debuut bij het journaal vervloekte ik Joop. Toch zei ik op het juiste moment “Goedenavond” in de camera. De zenuwen met de klamme handen kwamen na afloop. De volgende dag was Nederland in shock. Het journaal was tot dan het tabernakel van de Nederlandse taal en dat leek nu geschonden door iemand van “buiten” die er anders uit zag en dus geen accentloos ABN kon spreken en ook nog eens aan de haal ging met het onderscheid tussen de f en de v en de s en de z.
Een krant schreef dat het er bovendien op leek alsof ik een pot azijn had ingeslikt. Dat was een zuur gelag. Maar hoofdredacteur Peter Brusse stuurde mij lieve kaartjes en briefjes om mijn gemoed te sterken. We hadden er toen natuurlijk geen idee van dat ik hem zou overleven bij het journaal en met hem ook zijn opvolgers Gerard van de Wulp en Nico Haasbroek.
In die eerste jaren bij het journaal kreeg ik veel post, van mensen die mij een hart onder de riem staken of mij ronduit haatten. Maar ik bleek ook een soort “lieve Lita” voor de eenzamen in het land of een medium voor een zwakke geest in een inrichting. Ik moest er ook aan wennen dat mijn naam gemeengoed werd. De eerste die naar mij vernoemd werd, was een wedstrijdhond. Een hazewind. Dat wel. Daarna ontving ik af en toe geboortekaartjes van een nieuwe “Noraly”. Ik denk dat ik nu minstens 50 naamgenoten in den lande heb.
Het zijn de triviale bijkomstigheden van een presentator bij het journaal. Toen Peter Brusse mij aannam, had hij al met een vragend oog gekeken naar mijn brede schouders, maar dat deed hij vooral omdat de discussie over “meer kleur op de tv” nog maar net was begonnen. In Engeland had hij gezien dat het noodzakelijk was om de programma’s op de tv een afspiegeling te laten zijn van de maatschappij.
Ik heb vaak aan hem moeten denken als er weer eens gezegd werd dat de NOS met mij een excuus-Truus had binnen gehaald voor witte mensen met schuldgevoel en voor zwarte mensen die zich miskend voelden. Die discussie, vaak onderdrukt maar nooit verstomd, had 11 september en de dood van Pim Fortuyn en Theo van Gogh nodig om tot wasdom te komen en niet meer te verzanden in de voors en tegens van positieve discriminatie. Ook het NOS Journaal ging met wisselend succes zichtbaar moeite doen om allochtone mensen in beeld te krijgen, letterlijk en figuurlijk, voor en achter de schermen. Maar het gebruik van allochtonen als voxpopper en als deskundige bij wat voor gebeurtenis dan ook, gebeurt volgens mij nog teveel met mate, alsof we met hele sterke drank te maken hebben.
Daags nadat mijn vertrek bekend was, vroegen mensen op straat in de Bijlmer wie mij gaat opvolgen. Dat weet ik natuurlijk niet, maar de gedachte achter de vraag is duidelijk. Het is een ongemakkelijk vooruitzicht als ik na afloop van mijn dienstjaren bij het journaal alsnog de excuus-Truus word die ik nooit heb willen zijn. Het heeft er niet direct mee te maken, maar ik moet nu ook denken aan een meneer in Amsterdam, een autoriteit in zijn vakgebied en niet eens zo heel oud in jaren, die mij complimenteerde voor mijn werk als nieuwslezer. Voor mezelf wist ik toen al dat ik binnenkort zou stoppen, maar toen hij me aansprak als Eugenie Herlaar kreeg ik plotseling het gevoel dat ik dat niet eens hoefde te doen, omdat ik er immers nooit geweest was. Ik kreeg het bij deze man niet voor elkaar om de persoonsverwisseling ongedaan te maken. Omgekeerd heb ik mensen wel vaker herinnerd aan Eugenie Herlaar, omdat zij de eerste zwarte vrouw in Nederland was die het nieuws las, niet ik.
Dat brengt me weer terug naar de brievenpost. Vooral in het begin zijn er mensen geweest die de moeite namen om mij deelgenoot te maken van hun goede bedoelingen en andere fantasieën. Maar op een gegeven moment werden de hatelijke maar ook de hartelijke brieven en kaarten minder. Gek genoeg viel dat ongeveer gelijk met de entree van het elektronisch tijdperk. Toen de typemachines en de ratelende telexen van de redactie verdwenen waren, was ik al vergroeid geraakt met het journaal en was het al aardig gelukt om het nieuws zelf in de aandacht te houden, niet de presentator ervan.
Of het om komkommerberichten ging of om de ontelbare doden van oorlogen en rampen her en der in de wereld, ik heb mij immer laten inspireren door mijn nieuwsgierigheid naar wat er om ons heen gebeurt en mijn behoefte om dat met anderen te delen Ik heb ook altijd drijfkracht gevonden in mijn overtuiging dat macht gecontroleerd moet worden en het zoeken naar waarheid heilig blijft . Na 23 jaar is daarin geen sleet gekomen. Maar, ik krijg nu de mogelijkheid om andere dingen te gaan doen die ik heel leuk vind en het is heel fijn dat ik me voorlopig geen zorgen hoef te maken over het beleg op mijn brood.
Dat neemt niet weg dat ik pijn in mijn hart kreeg toen het besluit eenmaal was genomen en ik een manier moest vinden om het te vertellen, aan jullie, mijn collega’s, en aan de kijkers thuis. Maar hoe ik mijn gedachten ook wendde of keerde; ik wilde niet zichtbaar voor iedereen op mijn laatste benen gaan lopen. Even onverdraagbaar was de actie dat ik zelf in beeld afscheid moest nemen en daarna een bos bloemen in handen zou krijgen van collega’s die de studio binnenstormen. Stil houden tot het zover zou zijn EN de intercom brachten rust in mijn hoofd. De onzekerheid dat ik niet wist hoe jullie zouden reageren, nam ik op de koop toe.
En zo is het dus gebeurd dat ik jullie op een zonnige winterdag, daags voor oudjaar, verteld heb over het eind van mijn jaren bij het journaal. Ik ben nog stil van de shock en het ongeloof op sommige gezichten. Ik ben nog ontroerd door het begrip dat ik desondanks van jullie kreeg.
Het journaal is een flink deel van mijn leven. Ik heb altijd van het nieuws gehouden en dat zal niet veranderen, maar dat ik zo lang bij het NOS Journaal heb kunnen blijven, komt door jullie. Zonder jullie liefde voor het vak, maar vooral zonder jullie vertrouwen in mij, had ik mijn werk nooit met zoveel plezier en toewijding kunnen doen.
Mijn dankbaarheid aan jullie is dus groot, al is het nu van het weemoedige soort.
Ik troost me dat ik het altijd als een voorrecht heb gezien om bij het journaal te werken waar ik jullie heb leren kennen.
Tot eind maart ben ik bezig met Medea. Bijna 500 jaar voor Christus doodde zij haar eigen kinderen. Vandaag de dag zijn er nog steeds Medea’s onder ons die hun eigen gebroed doden. Uit wraak, vond Euripides. Uit liefde, vindt Ola Mafalaani, artistiek directeur van het Noord Nederlands Toneel. Zij heeft mij aangetrokken als het koor vanwege de parallellen tussen het koor in de Griekse tragedies en de journalistiek. Beiden zien HET allemaal gebeuren maar grijpen nooit in.
In april, als de voorstellingenen van Medea zijn afgelopen, zal ik gaan strijden tegen het Grote Niets van de Geraniums en de Herinneringen. Misschien doe ik dat wel ergens waar ik de son in de see kan sien sakken.
Tot ziens allemaal.
Noraly Beyer