20 maart 2010

Philip Freriks (Utrecht, 1944) zat nog op de middelbare school, toen de journalistiek hem al riep. Na school haastte hij zich naar de krant, waar hij als jongste bediende een praktijkscholing genoot. Niet van de eerste de beste: de chef die zich over hem ontfermde, werd later één van de directeuren van de School voor Journalistiek. Een nuttige privé-opleiding, maar deze had wel tot gevolg dat Philip pas op zijn twintigste zijn diploma van de middelbare school ontving.

Ph. FreriksDaarna vertrok hij naar Parijs om politieke wetenschappen te studeren. “In die tijd was Parijs nog het centrum van de wereld. Ik had de illusie dat ik daar naast de studie ook makkelijk aan de slag kon, maar dat werden twaalf baantjes, dertien ongelukken. Na een aantal jaren werd ik correspondent voor het Parool. Dat was wel in één keer een mooie baan.”

Van 1971 tot 1985 bleef Philip werkzaam bij de Amsterdamse krant. Tussen 1974 en 1977 was hij een paar jaar terug in Nederland, waar hij voor de VARA onder andere bij Achter het nieuws werkte. In die tijd was hij ook correspondent voor de Franse krant Le Monde. In 1977 keerde hij terug naar Parijs en mocht hij zich ook correspondent van de NOS noemen.

In 1985 verruilde hij het Parool voor de Volkskrant. “In 1993 ben ik gestopt als correspondent. Drie jaar later werd ik door de NOS gevraagd als presentator van het 8-uur Journaal. Het was wel even wennen, maar ik was toe aan iets anders. Het correspondentschap is zwaar. Zeker als je het voor televisie en een krant tegelijk doet.”

Philip staat bekend om de eigen wijze waarop hij het Journaal presenteert. “Veel mensen vinden het leuk. Slechte berichten krijg ik zelden, waarschijnlijk omdat mensen die het niets vinden met een boogje om me heen lopen.”

Het meest kenmerkend aan de stijl van Philip zijn de teksten. “Ik let erop dat deze goed geformuleerd zijn. Dat is niet alleen grammatica, je moet mensen bij de les houden, ze moeten het spannend vinden. Ik vind dat presentatoren te vaak sprekende poppen zijn. Ik denk vaak: ‘Wat saai.’ Als kijker wil ik geen cryptische dienstmededeling krijgen. Ik wil uitleg.”

Dat schrijven de basis is van alles, is een les die hij als jongste bediende leerde. “Bij het Journaal sleutel ik veel aan teksten. Ik heb bij de krant geleerd dat je veel woorden kunt weglaten, zoals ‘namelijk’ en ‘want’. Dat is overbodige rommel, dat schrap ik. Net als ‘huidige’. Als ik dat vroeger gebruikte, zei mijn chef ‘Had ‘ie een dikke huid?’ Je stoeit met materie. Het is ambachtelijk werk, je componeert mooie teksten.Dat is het leuke van het Journaal.”