De weblogs van de NOS worden niet langer bijgewerkt.

Voor nieuws Over de NOS kunt u terecht op over.nos.nl.
Voor de overige berichtgeving kunt u terecht op NOS.nl.

Di Luca en de omerta

Het is eind mei 2013 en ik reis in de Amerikaanse staat Vermont. Rust en kalmte overheersen, dus een heerlijke plaats om je hoofd schoon te krijgen. Als je over de 7 naar het zuiden rijdt, merk je soms op:” Hé, nog een auto.” Die loutering.

Ik heb de New York Times meegenomen en ergens ter hoogte van Middlebury lees ik over de positieve Danilo di Luca. Ik lees het bericht hard op voor en mijn medereizigster en berijdster van de Jeep zegt:” Dat verbaast je toch zeker niet!” Ik lach om haar klinische en juiste antwoord en knik: natuurlijk niet. Er valt een korte stilte in de auto. Ik zeg iets van “Wat een enorme eikel” en zij glimlacht naast me:” Dat zijn ze allemaal.”

Dans om het dopingverhaal

Dan begint, zelfs tussen ons, twee mensen die elkaar de laatste jaren heel, heel  intens hebben meegemaakt, weer die dans om het dopingverhaal. Zij herkent mijn denkrichting, ik vind die van haar te kort door de bocht. Is zij de gemiddelde kijker of lezer of consument? Ik twijfel. Ze heeft veel gehoord en veel (gedurende de laatste maanden) meegemaakt. Ze maakt weinig tot geen denkfouten in deze moeilijke materie; haar rechtdoor denken is vrij zuiver en laat weinig ruimte voor secondaire gedachten of bij-gevoelens, als dat een woord is.

Onderhuids

Maar hoe zit dat bij mezelf? Waarom heb ik, onderhuids, altijd geweten dat Di Luca niet deugde? En hoe ben ik daarmee om gegaan? En moet ik nu zeggen dat hij niet deugt omdat hij maar weer eens tegen de lamp gelopen is? “Daar gaan we weer,” zeg ik en teken het tableau voor haar: renner op leeftijd die coute que coute wil terugkomen in Het Leven en die natuurlijk weet hoe hij snel “in vorm” kan raken. Het eeuwige verhaal van de vos en diens streken en haren. Misschien was de mini-dosering niet “mini” genoeg meer voor de nieuwe instellingen bij de moderne laboratoria? Het lijkt erop. Natuurlijk geloofde hij nog in de wonderen van toen, bedenk ik. Een toprenner uit die verdorven jaren kan zichzelf niet heruitvinden, die denkt dat alles nog is zoals het was. Dat kan niet anders. “Weet je, hij vindt waarschijnlijk dat hij niets misdaan heeft… als een bakker die vijftien geleden heerlijke broden bakte en dat nu nog doet…zelfde meel, zelfde oventemperatuur.”

De mores van nu?

Ik hoor een lange lach naast me:” Het laat je niet los, he?” Ik zwijg. Het laat me misschien wel los, maar zo’n bericht hakt er toch heel even in. Hoe kan zo’n rund zo’n rund zijn? Hoe kan je zo dom zijn zo te handelen? Of is dit gewoon de mores van nu? Dat kan ook. Hoe heette die Fransman van AG2R ook weer die verleden week zijn hoofd op het hakblok legde? Ik betrap mezelf erop zijn naam niet precies meer te weten. Twee voornamen samen, was het niet zoiets? En waarom had die dommerik het ook weer gedaan? Waarschijnlijk om te kunnen volgen. We reisden in de buurt van Ottawa en de horizon lag ver weg toen ik het via een Canadees nieuwsradiostation hoorde. Het veroorzaakte toen iets van een meewarige lach. Iets van “prutser” of “stommeling”, maar niet meer dan dat. Ik was niet verontwaardigd dat er weer een wielrenner zijn eigen erf vervuilde en zijn collega’s in de vuile wind plaatste. Ik had eigenlijk, zo herinner ik me, een beetje medelijden met die, waarschijnlijk simpele jongen.

“Ik voelde het aankomen”

Met Di Luca had ik dat niet. En waarom eigenlijk niet? Omdat ik het voelde aankomen, of ik voorvoelde dat het eens moest gebeuren? Waarschijnlijk. We hadden er, in de auto, aan tafel, bij Starbucks, voor het slapen gaan, in de hotelkamer over gepraat. De rudimentaire overblijfselen van die wrede en vooral foute gedachten waarop de tien geboden van de wielrennerij waren gegrondvest, bleven maar hangen… Over dat brede beeld dat steeds duidelijker werd als je het tenminste wilde zien, hadden we het al zo vaak gehad. Over dat uiterst gecompliceerde scenario waarin de wielersport door ons, als amateur-psychologen, langzaam ontleed werd, raakte je bijna niet uitgesproken. De sport van leugen, ontkenning, bedrog en de complete acceptatie van die voor buitenstaanders onbekende grootheden die precies in de maat liepen bij trainen, lucht in de banden, goed materiaal en gezond eten voor de direct betrokkenen. Want, zover was ik al wel gekomen: het doorgronden van de werkelijke achtergronden van de professionele wielersport bracht een mens toch verder dan het simpel maar wel scherp uitgesproken “foei” van de moderne sportdominee annex moralist van de koude Hollandse grond. Foei was niet eens een richting, maar slechts een kreet van een niet nadenkend mens.

De weg naar het altaar

Deze sportwereld geloofde werkelijk dat bedrog, in welke vorm dan ook, een vaste waarde was in de manier van sportbeoefening. Met alle zijtakken die je maar kon bedenken: goed of fout. Wat moralisten, buitenstaanders en kwaadsprekers en vooral ook journalisten ook dachten op te merken, mannen van het slag Di Luca hadden daar helemaal geen boodschap aan. Ze vielen terug in hun daden van weleer, in hun comfortzone van jaren en wat al die critici ook beweerden en hoeveel renners van Rabobank er nog meer door de knieën zouden gaan, interesseerde hen helemaal niets: zij kenden de weg naar het altaar toch. En hij, Di Luca, had een decennium in het volle schijnsel van Het Grote Succes geleefd, hij was gestruikeld, maar hij bestond toch nog. Dus?

Natuurlijk was hij niet de enige en zou hij dat ook niet blijven. Dat was duidelijk.

We hadden het, onder de koffie, erover hoe zo’n Di Luca dat thuis, tegenover vrouw, kinderen, ouders en bekenden zou brengen. Ik hield het op “bedrijfsongelukje”, twee streepjes te veel. Wroeging? Geen idee, waarschijnlijk weinig. Tegenover me zeiden twee ogen:” Laat het los…althans voor nu…laat het los” en dat deed ik. Ik wilde die wereld bewust even kwijt, de wereld van die eeuwige ontkenning, van het geaccepteerde, doorgekookte liegen en van het idee dat absolutie toch steeds voor handen was in de vorm van drie weest-gegroetjes of een flink bord spaghetti van La Mamma.

“Ik wist dat de omerta door zou gaan”

Ik wist, ik voelde, dat het leven binnen de omerta door zou gaan. Zoals altijd, zoals voortdurend. Bedrog was voor eeuwig, wat die vrijgevochten dominees aan de boorden van de Noordzee ook riepen, wat de buitenwereld ook voor een oordeel uitsprak over de wielrennerij. De omerta bestond nog en was sterker dan ooit.

Ik rekende af en we liepen naar buiten. De seringen bloeiden hier heftig, het was een graad of veertien, vijftien en De Koers was, gelukkig, heel ver weg. Tenminste dat dacht ik. Waarom was ik hier ook weer naartoe gegaan? We passeerden, bijna voorzichtig, een fietser. Ik zag en herkende zijn shirt. Hier, in het kalme zuiden van deze staat waar nog nooit iemand van Di Luca had gehoord, reed een levend wezen op een glimmende fiets in een prachtig shirt van Banesto. Een shirt van twintig jaren oud. Een “classic”. Ik glimlachte en bracht traag mijn handen op elkaar: bravo. “ Die durft,” zei de stem naast me. Ik stelde mezelf de vraag hoe het met Big Mic zou zijn. Dat was nog eens associatief denken.

Bij Bennington kwam straks een afslag.  De Dooby Brothers zongen en speelden op de radio.  Long Train Running.

Deel deze pagina

« Terug naar het overzicht


Geef een reactie