Zó heet was het gisteren in de Tour dat zelfs de wég dorst kreeg. Het was hier en daar sproeien geblazen met grote tankwagens vol water, om te voorkomen dat het peloton zou vastplakken aan het asfalt tussen de graanvelden. Het paste wel bij de broeierige sfeer over een koersverloop dat steeds kleveriger begon te worden. Vandaag moet het anders worden, gelet op de weersverwachting: dan komt het water vanzelf naar beneden in donder en bliksem boven de Col du Platzerwasel. Dan gaat de hemel plassen boven de Elzas.
Water blijft een onontbeerlijke vloeistof in de ronde. Vandaar dat de Tourdirectie in Vittel vol trots kon melden dat de relatie met Nestlé Waters is verlengd tot en met 2013.
In het Village Départ van Vittel is het contract getekend door Tourbaas Christian Prudhomme en watermagnaat Denis Cans. Passender kon het natuurlijk niet dan in Vittel, centrum van de bronbaden.
De stad was in 1968 het toneel van de Grand Départ van de Tour. Het was na 1967, de grote domper van de dood van Tom Simpson op de Mont Ventoux. Dat ging toen met veel dopingtumult gepaard. Ze hadden een gemeente nodig om te laten zien dat het weer helemaal zuiver ging. 41 jaar na 1968 is het in Vittel fijn om te dromen dat alle kwaad is weg gespoeld.
Vittel is zo zuiver dat alle hotels op ziekenhuizen lijken, ook Hotel de la Providence waar ik dit vertel voor een nieuw klimtraject in de Vogezen.
Ik heb mijn eigen klimervaring gehad, de vorige nacht, toen ik verzeild was geraakt in Hostellerie du Moulin des Ruats, onder Avallon, mooie stad in de Morvan. Het is nu al een onvergetelijk, waar gebeurd Tourverhaal.
Ik had mijn column af die alweer van gisteren is, maar het versturen lukte niet. Daarom ging ik met mijn laptop naar beneden en liep buitenom naar de receptie met een kabel. Het was half één. Er was niemand meer aanwezig, alles was donker. Inmiddels was de buitendeur achter me dicht gevallen. Ik kende de code niet. Mijn mobieltje lag boven op de goed verlichte kamer. Ik keek naar de balustrade van de eerste verdieping. Te hoog. De nacht naderde het holst, in alle stilte.
Na een half uur rondijsberen bedacht ik dat er een ladder moest zijn, ergens. Ik vond hem aan de zijkant, in het gat van de kelder. Hij hield goed, tegen de bloembak onder de reling. Na de klim heb ik een glaasje water gedronken.
De hotelbaas was verbaasd, gistermorgen.
‘Vous-êtes l’Arsène Lupin du Tour de France!‘ zei hij vol waardering, verwijzend naar de Franse gentleman-schurk, diep uit de vorige eeuw.
Ik heb de ladder niet hoeven afrekenen.