Iowa: meer dan romantiek?
‘Iowa’: het is een verrukkelijk ritueel. Een keer eerder mocht ik ‘t meemaken. Dat was in 2008. Er lag sneeuw. John Edwards had nog een imago. Hillary had nog kansen. Huckabee had nog kansen. Obama had nog geen grijs haar. Veel te kleine zweetzaaltjes met honderden journalisten tegelijk. De natte jas die je ‘s avonds uitgeput op je hotelstoel kwakt. De espresso in Java Joe’s, het beste koffiehuis van Des Moines.
Laat het romantiseren maar aan The West Wing over.
Kandidaat Matthew Santos en zijn team op campagne in Iowa:
Een verrukkelijk ritueel – maar doet het er ook toe?
Een historisch ongelukje. Zo omschrijft Cary Covington, geschiedenisprofessor aan de Universiteit van Iowa, het belang van de Iowa caucus. Traditioneel werd de voorverkiezing (primary) van New Hampshire als eerste gehouden. In 1972 schoven de Democraten in Iowa hun caucus-datum naar voren, nog voor New Hampshire. Aanvankelijk kraaide daar geen haan naar. Een caucus leek een soort informele volksraadpleging, er deden weinig kiezers aan mee en het leek meer op folklore dan op politiek (hier meer over het verschil tussen een caucus en een primary). Dat veranderde in 1976, toen Jimmy Carter zichzelf in Iowa op de kaart zette en door wist te stomen, via New Hampshire, naar de nominatie. Sindsdien doet Iowa ertoe.
En dat terwijl de kiezers dinsdag niet bepaald representatief zijn. De caucus-gangers zijn een stuk ouder en blanker dan de gemiddelde Amerikaan. En vooral: ze zijn niet met zovelen. In 2008 brachten 120.000 kiezers in Iowa hun stem uit bij de Republikeinse voorverkiezingen. Da’s niet veel, op 3 miljoen inwoners. Er worden dinsdag 28 kiesmannen verdeeld: slechts 1 procent van het totaal aantal kiesmannen dat de Republikeinen bij alle voorverkiezingen verdelen.
En toch: Iowa kan een kandidaat lanceren, vleugels geven. Zie Carter in ’76, en zie Obama in 2008 (voor hem valt te hopen dat de vergelijking daar stopt). Obama won, nam een voorsprong en gaf die nooit meer uit handen. Obama had zich optimaal verdiept in het caucus-systeem, dat door Clinton juist werd onderschat. Kiezers mobiliseren, eindeloos handenschudden en langs de deuren. Daar gaat het om in Iowa.
Althans: daar ging het om. Dit jaar is een hoop veranderd. Een paar weken geleden zagen we Romney nog onhandig jongleren met een baby in zijn hoofdkwartier in Des Moines. Maar de strijd werd de afgelopen maanden vooral op televisie gevoerd. Miljoenen televisiekijkers werden een hoop wijzer. Newt Gingrich heeft geen geld, maar wel lef, en kon zo (tijdelijk) de koppositie in de peilingen innemen. (Al staat daar een kandidaat als Rick Santorum tegenover. Deed het niet slecht bij debatten, maar kwam nooit op stoom. Maar hij reisde wel alle kiesdistricten in Iowa af, maandenlang, in zijn pick-up-truck. Afgelopen week werden die inspanningen eindelijk beloond in de peilingen.)
Is Iowa een goede graadmeter? Redelijk, als je naar de afgelopen verkiezingen kijkt. Bij de laatste drie Democratische voorverkiezingen won de winnaar van Iowa uiteindelijk ook de nominatie (Gore en Kerry verloren vervolgens van Bush; Obama won.) Bij de Republikeinen is het beeld vergelijkbaar. Weliswaar won vier jaar geleden Mike Huckabee (die het vervolgens aflegde tegen McCain in de strijd om de nominatie), maar de jaren ervoor stoomde de winnaar van Iowa telkens door naar de conventie.
Wat Iowa sowieso doet: het vernauwt de keus. Wie tegenvalt, ziet zijn geldstroom opdrogen. Na het binnenkomen van de uitslag zal er dinsdag ongetwijfeld weer iemand afhaken. Dat gebeurde afgelopen zomer zelfs al, toen een niet-geheel-kansloze kandidaat (Pawlenty) tegenviel bij de Iowa Straw Poll, een volstrekt betekenisloze opiniepeiling op een zomerfeest.
Iowa is een ritueel, maar het doet ertoe, omdat het er nu eenmaal toe doet. Da’s niet eerlijk, maar zo werkt het.
