Weblog Zuidoost-Azië

  • Groepsverkrachting kleuter een smet op eliteschool

    Een groepsverkrachting van een 6-jarig jongetje schokt de meest elitaire internationale school van Jakarta, en het schokt tegelijkertijd de rest van de wereld, want wat bijna nog schokkender is dan de verkrachting zelf, is de manier waarop de directie de zaak heeft proberen weg te moffelen.
    In het begin waren de media nog een beetje terughoudend. Vanwege de privacy, en vanwege het delicate karakter van de zaak werd zelfs de naam van de school niet genoemd, maar die terughoudendheid is inmiddels helemaal verdwenen. Foto’s van het jongetje en foto’s van verdachten circuleren op het internet, en de naam van de school staat open en bloot op de voorpagina’s van de lokale kranten.
    Het is immers geen gewone verkrachtingszaak. Hij speelt zich af in de allerhoogste bovenklasse van de maatschappij: het jongetje werd verkracht op een van de duurste, zwaarst bewaakte en meest prestigieuze scholen van de Indonesische hoofdstad, een school die 99,99999 procent van de Indonesiërs nooit van binnen zullen zien. Het is een school waar ministers, (al dan niet corrupte) top-ambtenaren, diplomaten en goed betaalde expats hun kinderen heen sturen, de meeste kinderen met een eigen auto en een eigen chauffeur: het is de Jakarta International School, de JIS.
    De security op deze school ademt de paranoia van een Amerikaanse ambassade in een islamitisch land: de boze buitenwereld wordt buitengesloten met dubbele hekken, en met stalen obstakels die zelfs een tank kunnen tegenhouden. Die hele intimiderende bepantserin helpt misschien tegen terroristische aanslagen, maar blijkt niet berekend op een groep seksueel en psychisch gestoorde schoonmakers.
    Medewerkers van een ingehuurd schoonmaakbedrijf namen het zesjarige jongetje minstens twee keer te grazen in de toiletten en niemand in dat enorme high-security-apparaat heeft er iets van gemerkt.
    Het jongetje is twee keer verkracht: op 20 februari en 20 maart. De eerste keer zag de moeder wel dat het kind zich vreemd gedroeg, maar had geen idee waarom. Pas de tweede keer zag zij ook de blauwe plekken op de buik en bij de anus. Zij brachten het jongetje naar een aantal artsen die bevestigden dat het kind niet alleen bleek te zijn verkracht, maar bovendien besmet met een nare versie van herpes. Na het medisch onderzoek diende vrouw een aanklacht in. De politie arresteerde twee schoonmakers. Een derde werd vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Het jongetje wees deze week nog twee andere schoonmakers aan, maar die twee zijn nog op vrije voeten, en werken zelfs nog op de school.
    De school zelf heeft er alles aan gedaan de gebeurtenis te verzwijgen. Ouders kregen wel een cryptische mededeling dat de beveiliging op het schoolterrein werd verscherpt, maar daar stond niet bij waarom dat gebeurde. Pas toen de moeder van het jongetje maandag de zaak op een persconferentie publiek maakte werd de schoolleiding gedwongen tot opening van zaken. Maar zelfs toen dat ging met grote tegenzin. Er ging een bericht rond met het ‘schokkende nieuws’ dat een van de kinderen was ‘aangevallen door een volwassene’, en dat als reactie daarop het aantal videocamera’s op het schoolterrein was uitgebreid. De woorden ‘seksueel’ en ‘verkrachting’ kwamen in het bericht niet voor.
    Niet alleen de expat-gemeenschap in Jakarta sms’t en tweet zich nu suf. Iedereen in de stad vraagt zich af hoe het mogelijk is dat een 6-jarige zonder begeleiding over het schoolterrein kan lopen, en langdurig op de toiletten kan worden verkracht zonder dat iemand het merkt. Uitgerekend op de peperdure JIS met zijn Amerikaanse veiligheidseisen zou dat onmogelijk moeten zijn.
    De media, ministeries, en zelfs de Indonesische president reageren verbijsterd op het nieuws. Een instituut dat zichzelf onaantastbaar achtte, blijkt op ongelooflijk pijnlijke wijze te hebben gefaald. En wil dat maar niet toegeven.
    ‘Dit is een enorme klap voor de heiligheid van de JIS-gemeenschap’, schrijft de JIS-directie, maar waar zij nog het meeste moeite mee lijkt te hebben is dat de beslotenheid van die gemeenschap is aangetast: ineens wordt de school gedwongen buitenstaanders toe te laten tot haar zo heilige campus.
    Het ministerie van Onderwijs en Cultuur stuurde woensdagochtend een onderzoeksteam naar de JIS, maar dat team werd niet binnengelaten. Het kreeg te horen dat de schoolleiding ‘in een meeting’ zat en daar de rest van de dag niet meer uit zou komen. Het maakt de schoolleiding er niet populairder op in de ogen van veel Indonesiërs, die toch al een cynische kijk hebben op alles wat elite is.
    De politie zoekt nog naar nieuwe verdachten, en houdt ernstig rekening met de mogelijkheid dat er nog andere gevallen van verkrachting hebben plaatsgevonden. En nu ze toch bezig zijn, zijn onderzoekers ook in de vergunningen van de school gedoken: volgens de berichten blijkt de JIS niet eens een vergunning te hebben voor een kleuterschool. Dat, en de verkrachtingsaffaire, zou een reden kunnen zijn de hele school te sluiten.
    De Indonesische media melden het met bijna hetzelfde leedvermaak waarmee de gevangenisstraffen van corrupte politici worden gemeld.

    6 reacties Lees verder →

  • Toesprakisering van geconvertiseerde harten

    Ik had nog nooit van Vicky Prasetyo gehoord. De kans dat ik van hem zou horen leek ook niet groot. Hij is een ‘selebritis’ (beroemdheid) van de derde kategorie, mislukt politicus, zakenman en oplichter.

    Ook zijn verloving met dangdut-zangeres Zaskia Gotik was mij volledig ontgaan. niet.

    Zaskia blijkt minder bekend om haar zang (‘satu jam saja’, een uurtje maar) dan om hoe zij tijdens optredens haar achterwerk naar achteren steekt en daar een ‘eendendansje’ mee doet.

    Maar nu ken ik ze allebei. Dank zij een video van een televisie-interview met het stel die een storm heeft ontketend op Youtube. Al meer dan 1,6 miljoen mensen hebben ernaar gekeken. Vicky Prasetyo is een fenomeen (en Zaskia lift een beetje mee op zijn roem).

    Zijn roem heeft niets met de verloving te maken, want die was drie dagen na het interview verbroken (Vicky was vergeten Zaskia te vertellen dat hij al was getrouwd, en bovendien een reputatie had voor kortstondige relaties met dangdut-zangeressen.)
    Dat hij meteen daarna voor 18 maanden de gevangenis in ging wegens oplichterij kon evenmin veel mensen interesseren.

    Het is de taal van Vicky die hem onsterfelijk lijkt te gaan maken.

    1,6 miljoen kijkers hebben kunnen horen hoe hij het indonesisch verhaspelt tot een gebrabbel waar geen touw aan vast te knopen is, terwijl hij er tegelijkertijd in slaagt de indruk te wekken dat hij iets heel diepzinnigs aan het vertellen is, door er een of twee engelse woorden doorheen te klutsen. Hij praat over ‘kontroversi hati’ (controverse van het hart), ‘statusisasi’ (statusisering…), ‘harmonisisiasi’ (harmonisisering) en kijkt erbij alsof hij het zelf begrijpt.

    ‘di usiaku ini, twenty nine my age, aku masih merindukan apresiasi karena basically, aku senang musik, walaupun kontroversi hati aku lebih menyudutkan kepada konspirasi kemakmuran yang kita pilih ya,’
    ‘Op mijn leeftijd, twenty nine my age, mis ik nog steeds appreciatie omdat ik, basically, van muziek houd, hoewel de controverse van mij hart maakt dat ik meer geneigd ben naar de conspiratie van de voorspoed die wij hebben gekozen.’
    Wie weet wat het betekent mag het zeggen.

    2 reacties Lees verder →

  • ’17 augustus 1945′ wacht op erkenning?

    ‘Waarom erkent Nederland onze 17 augustus 1945 niet?’

    De vraag overvalt mij. Heeft Nederland dat niet al lang geleden gedaan?

    Generaal-majoor bd Sukotjo stelt hem in goed Nederlands. Ik wil hem interviewen over de aanstaande Nederlandse excuses. Die juicht hij uiteraard toe. ‘Het helpt de bitterheid, als die nog bestaat, te verzachten.’ Elk gebaar is er een, vindt hij, en ach, na 68 jaar is er sowieso weinig meer over van bitterheid, boosheid, woede.

    Sukotjo zelf is een schoolvoorbeeld van verdraagzaamheid. Hij heeft de beste relaties met Nederlandse Indië-veteranen en reisde, toen dat nog kon, bijna elk jaar naar Nederland. Nu is hij 86 en kan dat niet meer, maar anders zou hij het nog steeds doen. Maar die erkenning?

    Op 17 augustus 2005 is minister Ben Bot hier geweest, en heeft hij de viering op het paleis bijgewoond. Heeft hij daarmee die datum niet erkend?
    Kennelijk niet in de ogen van Sukotjo, en de dagen na dit interview blijken veel Indonesiërs die ik spreek het zo te voelen. Zelfs jonge mensen.

    Iedereen in Indonesië weet van het bezoek van Bot in 2005, maar iedereen weet nog veel beter wat daarop volgde: Den Haag nam bezit van de speech van de minister, en tekstuitleg nam bezit van de inhoud. En daar ging het mis.
    De erkenning van Bot was een mooi, zeer gewaardeerd gebaar. Eindelijk was het zover, dacht iedereen. Nederland had het daarbij moeten laten, en alleen ervoor moeten zorgen dat er voortaan elk jaar een vertegenwoordiger van Nederland op 17 augustus in het presidentieel paleis aanwezig zou zijn, en alles was goed geweest.

    Maar in Den Haag werd meteen gediscussieerd over wat Bot ‘eigenlijk’ bedoelde. De woorden ‘de facto’ en ‘de jure’: Nederland had 17 augustus alleen maar ‘de facto’ erkend, maar ‘de jure’ niet. ‘De jure’ zaten wij nog steeds gebonden aan de verdragen van Linggadjati en de souvereiniteitsoverdracht van 1949.

    Dat verpestte alles. En dát is in Indonesië niemand vergeten. De Haagse discussie heeft het hele gebaar van Bot tenietgedaan. Wat is blijven hangen is dit: ‘Dus Nederland houdt nog steeds vast aan 1949 als de echte datum van onafhankelijkheid.’

    ‘De facto’ is dat niet zo, natuurlijk. Want dat zou inhouden dat wij ook de souvereiniteitsoverdracht uit 1949 nog steeds zouden hanteren, en dat zou ronduit belachelijk zijn. Daarin staat namelijk dat Nederland een ‘Unie’ vormt met ‘de Verenigde Staten van Indonesië’, met de Nederlandse vorst(in) aan het hoofd. Die Unie is nooit verder gekomen dan het papier waarop zij was geschreven, en de ‘verenigde staten van Indonesië’ hebben nooit bestaan. Toen de laatste Nederlandse soldaat zijn hielen had gelicht ging het verdag meteen de prullenbak in.

    ‘De facto’ legde Nederland zich daarbij neer. Beatrix kwam in 1995 op bezoek in Jakarta (wel heel bewust vier dagen ná 17 augustus), Suharto bezocht Nederland, en niemand had het er meer over.
    Maar daarmee was het probleem niet verdwenen.
    Dat bleek toen in 2005 die Haagse discussie over de ‘de facto’ en niet ‘de jure’ erkenning van 17 augustus 1945 begon. Indonesië haakte af en wacht sindsdien nog steeds op een ‘echte’ erkenning, hoe je je die ook moet voorstellen.

    De Nederlandse haarkloverij kent in de wereldgeschiedenis zijn weerga niet. Terwijl het er wemelt van ‘foute’ data.
    De Verenigde Staten van Amerika bijvoorbeeld: die verklaarden zich op 4 juli 1776 onafhankelijk, en vieren sindsdien de ‘4th Of July’ als hun ‘Independence Day’. Maar de gevechten tegen de Engelsen gingen na die onafhankelijkheid nog zes jaar door, en de uiteindelijke vrede werd pas op 3 september 1783 in Parijs getekend. Nooit heeft iemand in Engeland het in zijn hoofd gehaald die 4e juli aan te vechten, of überhaupt de vraag te stellen of de VS ‘de jure’ eigenlijk op 3 september 1783 onafhankelijk werden.

    Zoals voor de Amerikanen ‘The 4th of July’ en de onafhankelijkheid synoniem zijn, zo staat ook voor de Indonesiërs de datum, 17 augustus 1945, gelijk aan ‘de republiek’. Erken je het een niet, dan het ander ook niet, zo simpel is het.

    De Nederlandse discussie over de erkenning heeft in Indonesië veel kwaad bloed gezet. Daar merk je normaal niets van want Indonesiërs houden zulke dingen doorgaans voor zich. En het zou ook wel weer zijn overgewaaid als ‘Rawagede’ er niet was geweest.
    De rechter moest eraan te pas komen om Nederland te dwingen excuses te maken voor de massamoord die op 9 december 1949 in dat dorpje had plaatsgevonden.
    Daaraan vooraf ging alweer zo’n Haagse discussie, waarin Nederland dan wel ‘spijt’ wilde betuigen voor alles wat er in die oorlog was gebeurd, ‘aan beide zijden’, maar het woord ‘excuses’ wilde Den Haag ten koste van alles vermijden.
    Het subtiele verschil tussen ‘excuses’ en ‘spijt’ was Indonesiërs nauwelijks uit te leggen, maar wat zij wel héél goed begrepen was, dat het met die excuses opnieuw niet van harte ging.

    Ook de nieuwe excuses, deze week, voor honderden ‘standrechtelijke executies’ in Sulawesi moesten aanvankelijk met juridische stappen worden afgedwongen.
    Nu ze er eenmaal komen, heeft minister Timmermans van Buitenlandse Zaken besloten ze breder te trekken, en in één klap excuses te vragen voor álle soortgelijke misdrijven. Net als minister Bot wil hij een streep zetten onder dat verleden. Door de mensen die het aangaat wordt dat zeer op prijs gesteld.
    Maar opnieuw gaat het mis. De goede bedoelingen worden opnieuw overschaduwd door een ongemakkelijk gevoel. Want in het persbericht waarin de excuses worden aangekondigd, wordt er meteen ook aan toegevoegd dat Nederland daarmee niet excuses maakt voor álle militaire acties in de jaren 1945-’49.

    Niemand in Indonesië had daarom gevraagd, dus waarom ze het er bij zetten is niet duidelijk. Maar nu het erbij staat is het alweer zo’n geval waarin Nederland excuses maakt maar tegelijk ook weer niet.

    Het enige effect van die toevoeging is geweest dat zij mannen als Sukotjo, en met hem heel veel anderen, weer herinnert aan die nooit geformaliseerde halve erkenning van hun ‘17 augustus 1945’.
    Of dat ‘de jure’ terecht is speelt allang geen rol meer. Het gaat om het gevoel dat wordt overgebracht, en dat gevoel zegt: dit zijn Nederlandse discussies die volstrekt voorbij gaan aan alle Indonesische gevoeligheden. Nederland bepaalt niet wanneer Indonesië onafhankelijk wordt, dat doet Indonesië zelf.
    Elk nieuw Nederlands gebaar maakt het alleen maar erger.

    Mijn tv-filmpje van zondagavond, op het NOS-journaal over deze 17e augustus heeft veel discussie losgemaakt. De toon was veelal: ‘ja maar…’, en dan kwam het gebaar van minister Bot en de conclusie dat wij ‘eigenlijk’ Indonesië al heel lang hebben erkend. Alleen ‘de jure’… Er kwamen zoveel reacties dat ik besloot deze Blog te schrijven. Om uit te leggen dat het niet alleen gaat om de letters van de wet. Hoeveel er ‘de jure’ ook op aan te merken is. Wij zitten hier niet in een rechtszaal.

    Sukotjo is 86 en zou het graag nog meemaken, zegt hij, dat Nederland zijn 17e augustus komt meevieren, en de onafhankelijkheid onomwonden erkent, zonder mitsen en maren.
    ‘Dat moet toch kunnen, na 68 jaar?’ zegt hij. ‘Waarom kan Nederland dat niet?’

    ‘De boosheid in mijn hart is vervangen door die grote grote vraag… dat vraagteken. Waarom?’

    http://nos.nl/video/549112-indonesie-wil-erkenning-onafhankelijkheidsdag.html

    5 reacties Lees verder →

  • Explosieve achterlijkheid

    In Jakarta is een bom ontploft tijdens een gebedsdienst in een boeddhistische tempel. Het was een kleine bom, ‘low explosives’. Een tweede bom ontplofte helemaal niet, en er was maar een licht-gewonde. Dit bericht heeft daarmee nauwelijks het gewicht dat nodig is om de Nederlandse media te halen.

    Het hoofd van de recherche in Jakarta noemt het echter toch een significante aanslag. Hoe amateuristisch ook, hij bewijst dat het terrorisme in Indonesië nog niet is uitgeroeid, zegt hij.

    Dat klinkt zorgwekkend, maar erger is misschien nog de reden voor de aanslag. Niemand heeft die nog opgeëist, maar vermoed wordt dat het om Birma gaat, waar (boeddhistische) Birmezen de (islamitische) Rohingya uit hun huizen jagen en vermoorden. Dat zou voor moslim-terroristen reden zijn om willekeurige boeddhisten in Jakarta te gaan opblazen.

    Toen de eerste Rohingya een paar jaar geleden aanspoelden op de kust van Atjeh kwamen mensen uit de verre omtrek om te kijken naar die kleine zwarte mannen die geen enkele verstaanbare taal spraken, maar die hun gebeden deden net als moslims. Er heerste alom verwondering, en zelfs ongeloof dat zulke zwarte mannetjes moslim konden zijn. Dat zij in eigen land vervolgd werden kon destijds niemand echt wat schelen.

    Pas toen de Rohingya in Birma wereldnieuws begonnen te worden drong het door dat het hier echt om moslims ging. Al gauw waren het vervolgens ‘moslim-broeders’ en niet veel later ‘onze moslim-broeders’. Nog een beetje later vielen de eerste heethoofdige moslim-studenten chinese winkels aan in Makassar, op Sulawesi. De redenering was deze: veel boeddhisten zijn Chinezen, en het waren boeddhisten die ‘hun moslimbroeders’ in Birma te lijf gingen. Dus: laten we winkels plunderen, want veel (de meeste) winkels zijn van chinezen.

    De aanvallers werden snel gekalmeerd. Hun actie was immers te belachelijk voor woorden. Chinezen in Indonesië hadden immers niets te maken met boeddhisten in Birma, laat staan met het geweld tegen Rohingya.

    Toch verschenen er niet veel later spandoeken bij de opvangcentra waar de Rohingya-bootvluchtelingen waren opgeborgen. Bloedige foto’s van slachtpartijen en massamoorden begeleidden oproepen tot ‘jihad’, heilige oorlog, tegen de vijanden van de moslimbroeders, en dus van de islam. Het is de logica van de achterlijkheid, en daardoor des te gevaarlijker dan echte logica.

    In het centrum van Jakarta werd door een piepklein groepje ‘radikalen’, opgeroepen om ‘de boeddhisten te doden’. En altijd weer dook dat woord ‘Jihad’ op, dat een excuus is voor alles. Het leek onschuldig, of in ieder geval onbenullig.

    Totdat zondag dat bommetje afging in die tempel in West-Jakarta. Een onbenullig bommetje, maar de volgende kan groter zijn.

    Het terrorisme is dus nog niet dood. De belangrijkste reden daarvoor is, dat de achterlijkheid springlevend is.

    In Indonesië wordt een hoop achterlijkheid verspreid, en dat gebeurt vooral via pesantren (moslim-kostscholen) en via moskeeën. Die achterlijkheid kent geen grenzen.

    Soms mag ik daar zelf getuige van zijn, als ze de luidspreker van de buurtmoskee vergeten uit te zetten. Dat gebeurde eens op een zaterdagochtend, tijdens het vrouwenuurtje. De imam ging het hebben over ‘nafsu’, lust, hoorde ik, dus ik spitste mijn oren. Ik werd in mijn tuin getrakteerd op een cursus tegen alles wat vies en voos is: tongzoenen brengt je rechtstreeks in contact met de hel, kinderen krijg je van lipcontact, en je kinderen worden, als je naakt samen met ze baadt, homo’s.

    Dat was midden in Jakarta, in de 21-ste eeuw.

    Ik weet zeker dat mijn moskee niet de enige is waar deze onzin wordt verkocht als God’s woord. Ik hoor het overal.

    Het is dezelfde achterlijkheid die schoolkinderen in de pesantrens leert dat er een ‘ware islam’ bestaat die eist dat Indonesiërs gaan leven als Taliban van duizend jaar geleden en zich kleden als Afghanen. Deze ‘pure’ islam verfoeit de eeuwenoude Indonesische dansen, kleding en cultuur en vindt dat zelfs babies hoofddoeken moeten dragen om potentiële lustgevoelens te dempen.

    Gelukkig is het nog maar een kleine minderheid die zo denkt. Indonesiërs houden te veel van hun tradities om ze zomaar op te geven. Overal groeit het verzet tegen uitwassen als kinderhuwelijken en polygamie.

    Maar de Taliban-cultuur heeft een voet tussen de deur, en wrikt die langzaam open waar het maar kan. Met knokploegen, demonstraties en intimidatie proberen zij Indonesië langzaam maar zeker in de ‘juiste’ richting te duwen.

    Achterlijkheid is in deze cultuur tot een wetenschap verheven. Met sluwe redeneringen overtuigen zij zichzelf en anderen van de meest krankzinnige waarheden. Een voorbeeld: toen terroristen in oktober 2002 twee bars in Bali opbliezen en 202 mensen doodden, zag iemand een licht aan de hemel, precies boven de plek van de aanslag. Dat licht was afkomstig van een vliegtuig, of een raket, op afstand bestuurd door de CIA. En uit dat vliegtuig had die CIA een ‘mikro-nuklir’ bommetje gegooid, precies op de plek waar de terroristen die avond hun aanslag pleegden. Die micro-kernbom blies de hele omgeving op, niet het bommetje dat de terroristen in elkaar hadden geknutseld. En zo brengt de CIA de islam in het discrediet.

    Ik heb dat van Abu Bakar Baashir zelf, de ‘amir’ of leider van de terreurbeweging Jemaah Islamiyah, in een van de interviews die ik met hem had. Hij heeft zelf een eigen pesantren gesticht, waar de ‘pure islam’ wordt geleerd en haat tegen de Verenigde Staten en Israël. Baashir zit gevangen, maar zijn school is nog open, en zijn volgelingen trekken door het land en preken overal dat je van zoenen kinderen krijgt en dat de gruwelijke aanslag op de Twin Towers op ’9/11′ een complot van joden en de CIA is geweest.

    Ik weet niet hoe vaak ik mensen deze onzin al met grote overtuiging als waar heb horen verkondigen. Het gaat erin als koek in de kringen van Baashir. Het verbaast mij daarom niet dat zijn scholieren nu ook bommetjes naar boeddhisten gaan gooien. Als je gelooft dat kinderen homo worden als ze hun moeder naakt zien, geloof je ook dat de boeddhisten, na de VS, Israël, joden, toeristen en christenen de nieuwe vijand van de islam zijn. En dan is een bommetje snel gelegd, en een nieuwe ‘Jihad’ snel begonnen.

    De Indonesische Grondwet van 1945 schrijft voor dat 20 procent van het nationale budget aan onderwijs moet worden uitgegeven. Op die manier wilde de eerste president, Soekarno, het land vooruithelpen. Maar een klein deel van dat geld komt terecht bij openbare scholen. Een belangrijker deel van het onderwijsgeld gaat naar de pesantren, ook pesantren die Baashirse onzin verkopen. En er is geen enkele controle op wat daar zoal wordt onderwezen.

    Zolang dat niet verandert zal het terrorisme in Indonesië niet verdwijnen.

    19 reacties Lees verder →

  • Oranje laat kansjes liggen in Jakarta…

    Oranje is weer weg, door naar China en dan terug naar huis. Wat achterblijft is een kleine kater. Niet omdat Indonesië de wedstrijd heeft verloren, dat was vantevoren al bekend, maar omdat ze geen kans hebben gekregen de spelers even van dichtbij te zien.

    Maanden had Indonesië toegeleefd naar de komst van de wereldspelers uit Nederland. Idolen, van wie ze de namen op hun T-shirts dragen, posters in de kamer hebben hangen. Elke week kijken ze tv, Premier League, La Liga, Serie A. Alles volgen ze, zelfs de Nederlandse Eredivisie. Omdat zij dol zijn op voetbal, alle 240 miljoen, en omdat het thuis behelpen is: het voetbal is overal beter dan in Indonesië.
    Dus zat het grote ‘Bung Karno Stadion’ mudvol. En dat met prijzen van 10 tot 150 euro per kaartje: een fortuin voor een gewone Indonesiër. Ze hebben het er graag voor over.

    De helft van de Indonesische supporters verscheen in oranje KNVB-shirtjes. Juichen deden zij voor allebei. Een tweet van ‘’Indo’’ aan #merahputih (‘roodwit’) vat het mooi samen: ‘Voor wie moet ik zijn?’

    Ik trof er maar één die de koloniale geschiedenis erbij haalde: ‘Natuurlijk kan Indonesië winnen’, zei die, ‘net zoals we vroeger ook van Nederland hebben gewonnen, he?’ Hij bedoelde 1949, toen Nederland na jaren oorlog afstand deed van de souvereiniteit over Indonesië. Ook hij droeg desondanks een ‘Oranye’ shirt. ‘Natuurlijk. Want wij houden van het Nederlands voetbal. Totaalvoetbal!’

    Zoveel liefde kon die 3-0 nederlaag voor Indonesië niet kapotmaken. 3-0 was niet eens zo slecht voor de Indonesiërs, de nummer 170 van de wereld. Het had veel erger gekund. Twitteraars bedankten hun voetballers voor de mooie wedstrijd, en niemand was bedroefd.

    Wat de mensen veel meer dwars zat was, dat hun team niet mocht spelen in het traditionele ‘Merah Putih’, het roodwit van de nationale vlag. Vlak voor de wedstrijd moesten ze hun tenue wisselen: zij speelden in witte shirts en groene broekjes. En oranje in oranje. En toen kwam die oude geschiedenis toch nog boven. Twitter stond roodgloeiend. De nationale trots was verkwanseld. Waarom speelde het gast-team niet in een andere kleur? Waarom moest Indonesië buigen voor oranje? Is die oorlog dan voor niets geweest?
    Het oproer duurde niet lang. Van Persie en Robben konden er ten slotte ook niks aan doen.

    Maar waarom kwamen ze de bus nou niet uit?
    De Indonesiërs hadden zo lang moeten wachten, en dan komen ze eindelijk, de helden (zelfs de oude helden, Gullit en Kluivert, waren er), een paar dagen. Ze zijn in Jakarta, maar ze zijn er tegelijk niet echt.

    Indonesiërs willen hun helden aanraken, ze willen met ze op de foto, ze willen ze toejuichen in de shopping malls, op straat, bij het Nationaal Munument en overal waar ze zich maar vertonen.
    Maar Oranje vertoonde zich nergens. Ze kwamen de bus en het hotel niet uit.

    Er was een ‘open training’, dat wel, maar kaartjes kostten 60 euro (en later, toen niemand dat wilde betalen gingen ze voor 10 euro) dus kwamen er maar een paar duizend mensen _ nog altijd veel naar Nederlandse maatstaven.

    Zelfs daar, in een redelijk intieme sfeer, in een hoek van het stadion samengeklonterd was er geen contact. De spelers renden het veld op, gaven een leuke demonstratie van tiktakvoetbal. Maar niemand keek even naar de mensen die zaten te zwaaien en te joelen.
    Als Dirk Kuyt er niet was geweest, die zijn makkers meetrok naar de rand van het veld om het publiek een klein applausje te geven, waren ze ook zomaar weer vertrokken.

    Van Gaal wreef het er op een persconferentie nog eens extra in: hij had eigenlijk schijt aan Indonesië. Het was te warm, te ver en te vochtig naar zijn zin. Dus toen een Indonesische journaliste hem vroeg of hij nog eens een keer terug zou komen zei hij botweg: ‘Nou, ik heb een huis in Portugal. Het klimaat is daar beter en het is een stuk minder ver. Dus ik denk het eigenlijk niet.’

    Ze houden nog steeds van Oranje, natuurlijk, maar Nederland heeft een paar kansjes laten liggen. Ook buiten het veld.

    7 reacties Lees verder →

  • Nieuws en speelbal door die verdomde kogel

    En ineens zit je zelf aan de andere kant van de tafel. Fotografen en filmploegen richten hun lenzen op jou. Naast je zit de onderdirecteur van de DSI, zeg maar: de Thaise FBI. Hij is nerveus, er staat zweet op zijn bovenlip.

    Een Thaise krant heeft mijn komst aangekondigd op de voorpagina, en nu is de hele landelijke pers hier om mij te zien. Hoe ik me voel, vraagt er een. ‘Ambushed’, zeg ik, overvallen.

    Ik ben getuige. Een belangrijke getuige, want ik ben de enige persoon op aarde die in het bezit is van een kogel van de beschieting van het kamp van de ‘Roodhemden’ in Bangkok, op 19 mei 2010.

    Alle andere kogels van die dag zijn verdwenen, ook de kogel die de Italiaanse fotograaf Fabio Polenghi doodde. Die ‘verdween’ tijdens het onderzoek. Ook de rest is weg, zorgvuldig opgeruimd, lijkt het. Alleen de mijne, die is er nog.

    Die drong mijn lichaam binnen in mijn schouder, botste tegen twee ribben waardoor botsplinters aan de voortkant naar buiten schoten. De kogel bleef binnen, maakte een miraculeus rondje door mijn zij, kaatste tegen mijn heup terug omhoog en bleef onder mijn schouder zitten, met de punt omhoog.

    Zes weken later werd hij eruitgehaald, en de dokter gaf hem mij, als souvenir, inclusief foto’s van de operatie en van de kogel. Wij hebben daar nog een filmpje van gemaakt: een zomercolumn over ‘medisch tourisme naar Bangkok’.
    Dat is nu allemaal bewijsmateriaal, dat, en de radio-opname waarin ik ‘live’ word geraakt. Ik moet het vandaag telkens weer horen: mijn eigen stem: ‘Au! I’m Hit! I’m Hit!’ en de stem van Hilversum: ‘Michel?…’

    De kogel heb ik thuis in Jakarta gelaten. Er zijn er al genoeg verdwenen. Maar de mensen die nu de zaak onderzoeken stelen geen kogels. Er is een nieuwe regering. ‘Roodhemden’ hebben de verkiezingen gewonnen en onder deze ‘rode’ regering gaat de DSI nu op zoek naar de werkelijke daders, en de verantwoordelijken.

    Het is politiek. Ik weet het. De aandacht voor mij en mijn kogel ook: het zal worden gebruikt. De media-drukte maakt daar deel van uit. Die is georganiseerd.

    Het laatste wat ik wil is betrokken worden in een politiek spel. Maar toch getuig ik. Omdat ik het de zus van Fabio Polenghi heb beloofd. Zij voert een eenzaam gevecht voor gerechtigheid. Zij wil weten wie haar broer heeft vermoord. En dat die iemand dat toegeeft.

    En de kans is groot dat dat dezelfde is geweest die ook mij heeft neergeschoten. Want Fabio en ik waren op dezelfde tijd op dezelfde plaats, alleen maar van elkaar gescheiden door de middenberm en plastic tenten van demonstrerende ‘roodhemden’. Hij stierf kort voordat ik werd geraakt. Toen ik in het ziekenhuis lag hoorde ik dat hij dood was. De rest van de dag heb ik iedereen verteld dat het goed met me ging, en ben ik zelfs opgestaan om een foto te tweeten om dat te bewijzen. Kort daarna gutste het bloed uit mijn schouder. Ik zal voortaan voorzichtiger zijn. Maar vergeleken met Fabio Polenghi ging het ongelooflijk goed met mij.

    Het zou mooi zijn als iemand ter verantwoording zou worden geroepen, want dat is iets wat in Thailand zelden gebeurt. Zeker niet als leger en/of politie in het geding zijn.

    Nu ben ik getuige. Ik vertel wat ik weet, en ik weet alleen wat ik zelf heb gezien en gehoord. De rest is onbetrouwbaar. Ik weet dat ik een troep militairen in volle bepakking het kampement van de protesterende roodhemden zag binnentrekken, en verdwijnen achter de plastic tenten die de demonstranten hadden opgebouwd. Ik weet dat het even stil bleef, maar dat daarna van achter dat plastic kogels begonnen rond te vliegen. Toen er een vlak langs mijn oor floot, ben ik achter een boom gaan staan.

    Het leger heeft een tijd volgehouden dat er alleen rubberkogels zijn gebruikt. En dat Fabio Polenghi door een mysterieus iemand (een ‘roodhemd’, een ‘zwarthemd’) zou zijn doodgeschoten.

    Mijn kogel vertelt wat anders. Het is een kogel uit een ‘M16′, het kaliber dat wordt gebruikt door het Thaise leger. En hij kwam vanuit de richting van waar ik de militairen zag oprukken.

    Dat is wat ik weet.

    Een reporter vraagt: ‘Deed het pijn?’ Dat is de laatste vraag die ik had verwacht. ‘Natuurlijk’, zeg ik, en het antwoord voelt bijna net zo stom als de vraag.

    Andere vragen zijn meer to the point: ‘Waren er zwarthemden?’
    Tijdens de rellen waren er geruchten, berichten en zelfs foto’s van mysterieuze ‘zwarthemden’ die in de chaos als doodseskaders door Bangkok gingen. Het leger beweerde dat het verklede en gewapende roodhemden waren, roodhemden beweerden dat het militairen waren. Iedereen wentelde elke beschuldiging van geweld af op deze ‘zwarthemden’.

    ‘Ik heb er geen gezien’, zeg ik, want zo is het. Ik heb alleen militairen gezien, en roodhemden met kleine molotov cocktails, en bamboestokken en knuppels.

    De volgende ochtend meldt een vriend in Thailand dat sommige Thaise media mij hebben ‘geciteerd’, en dat ik gezegd zou hebben dat ‘zwarthemden nooit hebben bestaan’. Op het internet schrijft zelfs iemand dat ik 1 miljoen baht heb aangenomen om te getuigen tegen het leger.

    Dat zijn dingen waartegen je je niet kunt verweren (‘nu weet je eens hoe dat voelt’, lacht de officier van justitie die mij ondervraagt).

    Ik weet bijna zeker dat de zaak politiek gebruikt zal worden. Daar kan ik niets aan veranderen. Maar ik getuig, omdat ook ik vind dat de verantwoordelijke, rood, geel of zwart, ter verantwoording moet worden geroepen.

    Ik weet niet wie mij heeft neergeschoten, want ik heb de schutter niet gezien. Maar mijn kogel, en alles wat ik heb gezien en gehoord wijst in de richting van de Thaise militairen die het kampement binnentrokken. Meer kan ik er niet van maken, en minder ook niet.

    7 reacties Lees verder →

  • Donker de nacht in

    Midden in de kinderfilm valt de stroom uit. ‘Alweer’, mopper ik, en loop naar buiten om de knop van de zekeringkast om te zetten. Ons huis is berekend op twee airco’s en de lampen. Wil je de haardroger gebruiken moet de airco uit. De waterkoker idem. Als de meid gaat strijken kan het ook gebeuren: pats, alles donker, stil en dood.

    Ik haal de knop over maar er gebeurt niks. Ik kijk rond, en zie dat het overal donker is. De hele wijk ligt eruit. Jakarta is eigenlijk net als mijn huis. Het heeft te weinig stroom, en als ze ergens een stofzuiger teveel aanzetten raakt het net overbelast. Als het een tijd droog is wordt het probleem acuut: dan komen de waterkrachtcentrales droog te staan. Zover is het nog net niet, maar het is ver genoeg.

    Ze hadden lang geleden al de oude elektriciteitscentrales moeten opknappen, en vooral: nieuwe moeten bouwen. Maar ze stopten liever het geld daarvoor in hun zakken, net als het geld voor een metro, een monorail en een deugdelijk openbaar vervoer. Dat is Jakarta. Dat is mijn huis.

    Als er te weinig stroom is schakelen ze een paar wijken uit, wijken zoals de mijne. Het is vooral een woonwijk, en het is zaterdag, dus het geeft niet. Niemand wordt gewaarschuwd, de knop gaat gewoon om. Om12 uur ‘s middags, als het op z’n heetst is. Voor hoe lang? Geen mens die het weet, geen telefoonnummer dat je kunt bellen. Je moet wachten. Hoort dat er een centrale is ontploft.

    Dat was twaalf uur. Nu is het vijf uur. Alles is nog steeds uit.
    Alles.
    De televisie, het internet, de telefoon, de airco, de ventilatoren. Geen beeld, geen muziek, geen informatie, geen koelte.
    De koelkast, dat is het ergste. Als het te lang duurt bederft alles.
    Maar de stilte is ook even wennen. In Indonesië is het nooit stil, altijd staat wel ergens een televisie aan op vol volume, of gewoon maar aan.
    Na twee uur stilte herinnert iemand zich de wereldradio waar we voor het internet nog wel eens naar luisterden. Die wordt opgediept.

    Nu is er ten minste nog even muziek.

    Maar wat als straks de batterij leeg is?
    Als het zometeen donker wordt?
    Hoe kan ik dan mijn boek nog lezen?
    Nog even en ook de batterijen van de laptop en de mobiele telefoon zijn leeg…

    Ach, als dat alles is…

    Mijn wijk klaagt niet. Mijn wijk wacht geduldig tot de stroom weer terugkomt. Maar het wordt erger. Nu is het nog een wijk, of twee wijken, maar er komt onvermijdelijk een moment waarop het helekrakkemikkige stroomnet in elkaar stort en de halve stad in het donker komt te zitten. Dat wordt een hel, met berovingen, inbraken, plunderingen en andere dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. Omvallende kaarsjes zullen hele krottenwijken in brand zetten.
    Nog twee uur, dan gaat de zon onder. Dan zit ik met mijn zaklamp naast de deur.

    Ik ga dus vlug nog maar wat lezen.

    1 reactie Lees verder →

  • Gepakt maar niet gevangen, of toch…

    En dan ben je ineens zelf nieuws.

    Leuk is dat niet want we belanden in een politiebureau waar het langzaam donker wordt, en waar wij zelf langzaam beginnen te ruiken als gedetineerden.
    Wij zijn het niet hoor!
    Zeggen de politiemannen.
    ‘Nee jullie zijn niet gearresteerd.’
    ‘Dus we kunnen weg?’
    ‘Nee!’
    ‘Dus we zijn gearresteerd.’
    ‘Nee.’

    Wij wilden alleen een paar dagen filmen uit het leven van een Ahmadiyah-dorpje op Java. Een gewoon dorp met gewone mensen, die er een ongewoon geloof op nahouden.
    Ahmadiyah zijn moslims die geloven dat niet Mohammed de laatste Islamitische profeet is geweest, maar de Indiër Mirza Ghulam Ahmad. Hij zou de uit de hemel neergedaalde Jezus zijn, die het Einde der Tijden aankondigt.

    De Ahmadi’s zitten al meer dan 80 jaar in Indonesië (en tal van andere landen in de wereld) en doen daar niemand kwaad. Maar de laatste tien jaar is in Indonesië de jacht op ze geopend. Hun dorpen en moskeeën worden aangevallen en platgebrand. Hun aanhangers gewond, of erger.

    Vorig jaar werd de wereld opgeschrikt door beelden van Cikeusik, waar een meute van 1500 mannen Ahmadi’s te lijf ging en er drie met stenen en stokken afmaakte. Het werd gefilmd met een mobieltje, of een kleine camera, en is nog steeds te zien op Youtube. Je hoort de slagen neerkomen, en je ziet hoe een agent erbij staat en ernaar kijkt, en niets doet.

    Maar dat was vorig jaar. En sindsdien is het tamelijk rustig.
    Ook in Cisalada. Dat dorp was in 2010 aangevallen. Ik was er toen, een dag na de aanval, en zag de uitgebrande auto’s, de verwoeste huizen, en de moskee met de verbrande Koran.

    Nu is het schoon, opgeruimd en vredig als in elk ander dorp. Een man ploegt met een buffel in de modder, de stoffige hoofdstraat is leeg, kweekvissen in de vijvers happen naar lucht, de thee staat klaar.

    Maar de rust is schijn.

    ‘Heb je je al gemeld?’
    Waar en waarom zou ik mij melden? Welke wet verbiedt mij het ontbijt van deze Ahmadis te filmen?
    Ik denk dit alleen, en protesteer niet. We gaan ons melden. Bij de ‘Lura’ (het buurthoofd), de ‘Polsek’ (de politie), de ‘Koramil’ (de lokale legerpost), de ‘Camat’ (het districtshoofd) en de ‘Pemda’ (de overkoepelende regering).
    Uiteindelijk zeggen ze allemaal: ‘Geen probleem.’

    Maar toch.
    Het probleem komt twee uur later.
    Wij maken ons op voor de lunch (ze hebben bakso-balletjes voor ons klaargemaakt) als er plotseling beroering is.
    Een politieman rent naar ons toe en roept ‘Weg hier! Weg hier!’ Wij moeten de auto in, en zien nog net hoe aan de andere kant van het dorp mannen met stokken en stenen op de bewoners beginnen in te hakken.
    Het dorp wordt aangevallen. Als de stenen op zijn zijn er gewonden, iemands been is afgehakt, vier huizen zijn vernield.

    En wij mogen er niet meer in.
    Ik schreeuw dat ik terug wil, want ik wil zien wat er gebeurt, maar ik mag niet. Onze vlucht naar de veiligheid is een ontvoering geworden.
    De politie brengt mij weg. Een ongeüniformeerde met een onbetrouwbaar gezicht neemt de macht over. Hij rijdt voor ons uit. Wij moeten volgen.
    Naar het bureau, zegt hij. Waarom?
    Protesteren helpt niet.
    Meer ongeüniformeerden met valse blikken komen, en vier politieauto’s met sirene en zwaailicht.
    Of we terroristen zijn worden we op transport naar Bogor gezet.

    En daar zitten wij dan.
    De politie vertelt aan de media dat wij mensen hebben geïrriteerd met onze aanwezigheid, dat wij irritante interviews hebben gehouden. En dat wij dus eigenlijk verantwoordelijk zijn voor de aanval.
    Het is niet waar, maar de media slikken het. Wij zien het zelf op de televisie van het politiebureau, die continu aanstaat.
    Het plan van de politie werkt. Iedereen begint ons te bellen en te sms’en. En niemand heeft het meer over de aanval, over de slachtoffers, over Ahmadiyah en over de systematische vervolging van de sekte in Indonesië.

    ‘Wie heeft jullie toestemming gegeven daar te filmen?’
    ‘Iedereen’.
    Ik som het lijstje op. Lura, polsek, koramil, camat, pemda.
    ‘Waar is de toestemming?’
    Ze willen een brief met een stempel. Die heb ik niet. Hoef ik niet te hebben.
    ‘Aha!’

    En zo gaat het maar door.
    Onze papieren worden onder een mikroskoop gelegd. Volgens de berichten wordt ook de immigratiedienst ingeschakeld om onze verblijfsvergunningen en werkvergunningen te onderzoeken. Zij willen iets vinden, coûte que coûte…

    Na zeven uur hebben wij onze verklaringen ondertekend.
    Maar nog steeds moeten wij wachten. Waarop? Niemand die het weet.
    Na zeveneneenhalf uur verlies ik mijn geduld. Ik weet dat ik dat niet moet doen. Niet op Java.
    Maar het lijkt te helpen.
    Want na zeven uur en vijfenveertig minuten mogen we weg.

    Je denkt dan dat het over is, maar dat is het niet.
    De volgende ochtend melden de media dat wij zijn gearresteerd en worden vastgehouden door de immigratiedienst.
    Wij lezen het aan ons ontbijt in het hotel, dus het is niet waar. Nog niet.
    Wij besluiten toch maar snel te vertrekken, voor het geval dat. Wij hebben geen zin in nog eens een dag op een bureau.
    Dat had erin gezeten. Want een halfuur nadat wij zijn vertrokken komt de politie naar het hotel en vraagt naar ons.

    Wij zijn gevlogen. Een rechercheur belt en vraagt waar we zijn. Ik zeg: ‘onderweg’ en hang op.
    Maar de lokale media blijven melden dat de immigratiedienst met onze papieren bezig is. Wij zitten zelfs gevangen.
    Misschien is het onzin. Misschien niet. Maar het hangt boven je hoofd als een donderwolk: met één pennestreek kunnen ze je verblijfsvergunning intrekken en je uit het land verbannen.
    Dat kunnen ze doen. En kom er dan nog maar eens in.

    We hebben niets verkeerds gedaan, maar dat hoeft niet. Zij doen wat zij willen.

    Wij zijn niet de enigen die benauwde uren doormaken.
    Het dorpshoofd wordt door de politie gedwongen een verklaring te tekenen. Hij maakt daarin excuses voor onze aanwezigheid in het dorp, en belooft dat dat nooit meer zal gebeuren. Hij klinkt bang, aan de telefoon. Niemand durft meer met ons te praten. Wij zijn paria’s.

    En de echte daders?
    Over hen, de mannen die het dorp hebben aangevallen, de haatpredikers die ze hebben gestuurd, heeft niemand het meer.

    En dat was waarschijnlijk de bedoeling.

    In het nieuws, het dorp na de aanval:

    http://berita.liputan6.com/read/420992/seorang-luka-parah-lima-rumah-rusak

    9 reacties Lees verder →

  • Vergeten piloot heeft weer een naam

    Het kon niet uitblijven. De onbekende piloot aan het einde van mijn filmpje blijkt toch een naam te hebben. Kort na de uitzending kwam die binnen, in een email van zijn bet-achterkleindochter. Toen wij hem filmden zeiden wij het al: wedden dat er iemand is die wèl weet wie deze onbekende vlieger is?

    5 reacties Lees verder →

  • Dobberen in Jakarta

    Je hebt van die dagen dat het brood is beschimmeld, dat er geen kaas meer is, dat de tuin onder water staat en het zwembad is leeggelopen. Die dagen komen meestal niet meer goed. Zeker niet als je de deur uit moet.

    8 reacties Lees verder →