-
Oranje laat kansjes liggen in Jakarta…
Oranje is weer weg, door naar China en dan terug naar huis. Wat achterblijft is een kleine kater. Niet omdat Indonesië de wedstrijd heeft verloren, dat was vantevoren al bekend, maar omdat ze geen kans hebben gekregen de spelers even van dichtbij te zien.
Maanden had Indonesië toegeleefd naar de komst van de wereldspelers uit Nederland. Idolen, van wie ze de namen op hun T-shirts dragen, posters in de kamer hebben hangen. Elke week kijken ze tv, Premier League, La Liga, Serie A. Alles volgen ze, zelfs de Nederlandse Eredivisie. Omdat zij dol zijn op voetbal, alle 240 miljoen, en omdat het thuis behelpen is: het voetbal is overal beter dan in Indonesië.
Dus zat het grote ‘Bung Karno Stadion’ mudvol. En dat met prijzen van 10 tot 150 euro per kaartje: een fortuin voor een gewone Indonesiër. Ze hebben het er graag voor over.De helft van de Indonesische supporters verscheen in oranje KNVB-shirtjes. Juichen deden zij voor allebei. Een tweet van ‘’Indo’’ aan #merahputih (‘roodwit’) vat het mooi samen: ‘Voor wie moet ik zijn?’
Ik trof er maar één die de koloniale geschiedenis erbij haalde: ‘Natuurlijk kan Indonesië winnen’, zei die, ‘net zoals we vroeger ook van Nederland hebben gewonnen, he?’ Hij bedoelde 1949, toen Nederland na jaren oorlog afstand deed van de souvereiniteit over Indonesië. Ook hij droeg desondanks een ‘Oranye’ shirt. ‘Natuurlijk. Want wij houden van het Nederlands voetbal. Totaalvoetbal!’
Zoveel liefde kon die 3-0 nederlaag voor Indonesië niet kapotmaken. 3-0 was niet eens zo slecht voor de Indonesiërs, de nummer 170 van de wereld. Het had veel erger gekund. Twitteraars bedankten hun voetballers voor de mooie wedstrijd, en niemand was bedroefd.
Wat de mensen veel meer dwars zat was, dat hun team niet mocht spelen in het traditionele ‘Merah Putih’, het roodwit van de nationale vlag. Vlak voor de wedstrijd moesten ze hun tenue wisselen: zij speelden in witte shirts en groene broekjes. En oranje in oranje. En toen kwam die oude geschiedenis toch nog boven. Twitter stond roodgloeiend. De nationale trots was verkwanseld. Waarom speelde het gast-team niet in een andere kleur? Waarom moest Indonesië buigen voor oranje? Is die oorlog dan voor niets geweest?
Het oproer duurde niet lang. Van Persie en Robben konden er ten slotte ook niks aan doen.Maar waarom kwamen ze de bus nou niet uit?
De Indonesiërs hadden zo lang moeten wachten, en dan komen ze eindelijk, de helden (zelfs de oude helden, Gullit en Kluivert, waren er), een paar dagen. Ze zijn in Jakarta, maar ze zijn er tegelijk niet echt.Indonesiërs willen hun helden aanraken, ze willen met ze op de foto, ze willen ze toejuichen in de shopping malls, op straat, bij het Nationaal Munument en overal waar ze zich maar vertonen.
Maar Oranje vertoonde zich nergens. Ze kwamen de bus en het hotel niet uit.Er was een ‘open training’, dat wel, maar kaartjes kostten 60 euro (en later, toen niemand dat wilde betalen gingen ze voor 10 euro) dus kwamen er maar een paar duizend mensen _ nog altijd veel naar Nederlandse maatstaven.
Zelfs daar, in een redelijk intieme sfeer, in een hoek van het stadion samengeklonterd was er geen contact. De spelers renden het veld op, gaven een leuke demonstratie van tiktakvoetbal. Maar niemand keek even naar de mensen die zaten te zwaaien en te joelen.
Als Dirk Kuyt er niet was geweest, die zijn makkers meetrok naar de rand van het veld om het publiek een klein applausje te geven, waren ze ook zomaar weer vertrokken.Van Gaal wreef het er op een persconferentie nog eens extra in: hij had eigenlijk schijt aan Indonesië. Het was te warm, te ver en te vochtig naar zijn zin. Dus toen een Indonesische journaliste hem vroeg of hij nog eens een keer terug zou komen zei hij botweg: ‘Nou, ik heb een huis in Portugal. Het klimaat is daar beter en het is een stuk minder ver. Dus ik denk het eigenlijk niet.’
Ze houden nog steeds van Oranje, natuurlijk, maar Nederland heeft een paar kansjes laten liggen. Ook buiten het veld.
-
Nieuws en speelbal door die verdomde kogel
En ineens zit je zelf aan de andere kant van de tafel. Fotografen en filmploegen richten hun lenzen op jou. Naast je zit de onderdirecteur van de DSI, zeg maar: de Thaise FBI. Hij is nerveus, er staat zweet op zijn bovenlip.
Een Thaise krant heeft mijn komst aangekondigd op de voorpagina, en nu is de hele landelijke pers hier om mij te zien. Hoe ik me voel, vraagt er een. ‘Ambushed’, zeg ik, overvallen.
Ik ben getuige. Een belangrijke getuige, want ik ben de enige persoon op aarde die in het bezit is van een kogel van de beschieting van het kamp van de ‘Roodhemden’ in Bangkok, op 19 mei 2010.
Alle andere kogels van die dag zijn verdwenen, ook de kogel die de Italiaanse fotograaf Fabio Polenghi doodde. Die ‘verdween’ tijdens het onderzoek. Ook de rest is weg, zorgvuldig opgeruimd, lijkt het. Alleen de mijne, die is er nog.
Die drong mijn lichaam binnen in mijn schouder, botste tegen twee ribben waardoor botsplinters aan de voortkant naar buiten schoten. De kogel bleef binnen, maakte een miraculeus rondje door mijn zij, kaatste tegen mijn heup terug omhoog en bleef onder mijn schouder zitten, met de punt omhoog.
Zes weken later werd hij eruitgehaald, en de dokter gaf hem mij, als souvenir, inclusief foto’s van de operatie en van de kogel. Wij hebben daar nog een filmpje van gemaakt: een zomercolumn over ‘medisch tourisme naar Bangkok’.
Dat is nu allemaal bewijsmateriaal, dat, en de radio-opname waarin ik ‘live’ word geraakt. Ik moet het vandaag telkens weer horen: mijn eigen stem: ‘Au! I’m Hit! I’m Hit!’ en de stem van Hilversum: ‘Michel?…’De kogel heb ik thuis in Jakarta gelaten. Er zijn er al genoeg verdwenen. Maar de mensen die nu de zaak onderzoeken stelen geen kogels. Er is een nieuwe regering. ‘Roodhemden’ hebben de verkiezingen gewonnen en onder deze ‘rode’ regering gaat de DSI nu op zoek naar de werkelijke daders, en de verantwoordelijken.
Het is politiek. Ik weet het. De aandacht voor mij en mijn kogel ook: het zal worden gebruikt. De media-drukte maakt daar deel van uit. Die is georganiseerd.
Het laatste wat ik wil is betrokken worden in een politiek spel. Maar toch getuig ik. Omdat ik het de zus van Fabio Polenghi heb beloofd. Zij voert een eenzaam gevecht voor gerechtigheid. Zij wil weten wie haar broer heeft vermoord. En dat die iemand dat toegeeft.
En de kans is groot dat dat dezelfde is geweest die ook mij heeft neergeschoten. Want Fabio en ik waren op dezelfde tijd op dezelfde plaats, alleen maar van elkaar gescheiden door de middenberm en plastic tenten van demonstrerende ‘roodhemden’. Hij stierf kort voordat ik werd geraakt. Toen ik in het ziekenhuis lag hoorde ik dat hij dood was. De rest van de dag heb ik iedereen verteld dat het goed met me ging, en ben ik zelfs opgestaan om een foto te tweeten om dat te bewijzen. Kort daarna gutste het bloed uit mijn schouder. Ik zal voortaan voorzichtiger zijn. Maar vergeleken met Fabio Polenghi ging het ongelooflijk goed met mij.
Het zou mooi zijn als iemand ter verantwoording zou worden geroepen, want dat is iets wat in Thailand zelden gebeurt. Zeker niet als leger en/of politie in het geding zijn.
Nu ben ik getuige. Ik vertel wat ik weet, en ik weet alleen wat ik zelf heb gezien en gehoord. De rest is onbetrouwbaar. Ik weet dat ik een troep militairen in volle bepakking het kampement van de protesterende roodhemden zag binnentrekken, en verdwijnen achter de plastic tenten die de demonstranten hadden opgebouwd. Ik weet dat het even stil bleef, maar dat daarna van achter dat plastic kogels begonnen rond te vliegen. Toen er een vlak langs mijn oor floot, ben ik achter een boom gaan staan.
Het leger heeft een tijd volgehouden dat er alleen rubberkogels zijn gebruikt. En dat Fabio Polenghi door een mysterieus iemand (een ‘roodhemd’, een ‘zwarthemd’) zou zijn doodgeschoten.
Mijn kogel vertelt wat anders. Het is een kogel uit een ‘M16′, het kaliber dat wordt gebruikt door het Thaise leger. En hij kwam vanuit de richting van waar ik de militairen zag oprukken.
Dat is wat ik weet.
Een reporter vraagt: ‘Deed het pijn?’ Dat is de laatste vraag die ik had verwacht. ‘Natuurlijk’, zeg ik, en het antwoord voelt bijna net zo stom als de vraag.
Andere vragen zijn meer to the point: ‘Waren er zwarthemden?’
Tijdens de rellen waren er geruchten, berichten en zelfs foto’s van mysterieuze ‘zwarthemden’ die in de chaos als doodseskaders door Bangkok gingen. Het leger beweerde dat het verklede en gewapende roodhemden waren, roodhemden beweerden dat het militairen waren. Iedereen wentelde elke beschuldiging van geweld af op deze ‘zwarthemden’.‘Ik heb er geen gezien’, zeg ik, want zo is het. Ik heb alleen militairen gezien, en roodhemden met kleine molotov cocktails, en bamboestokken en knuppels.
De volgende ochtend meldt een vriend in Thailand dat sommige Thaise media mij hebben ‘geciteerd’, en dat ik gezegd zou hebben dat ‘zwarthemden nooit hebben bestaan’. Op het internet schrijft zelfs iemand dat ik 1 miljoen baht heb aangenomen om te getuigen tegen het leger.
Dat zijn dingen waartegen je je niet kunt verweren (‘nu weet je eens hoe dat voelt’, lacht de officier van justitie die mij ondervraagt).
Ik weet bijna zeker dat de zaak politiek gebruikt zal worden. Daar kan ik niets aan veranderen. Maar ik getuig, omdat ook ik vind dat de verantwoordelijke, rood, geel of zwart, ter verantwoording moet worden geroepen.
Ik weet niet wie mij heeft neergeschoten, want ik heb de schutter niet gezien. Maar mijn kogel, en alles wat ik heb gezien en gehoord wijst in de richting van de Thaise militairen die het kampement binnentrokken. Meer kan ik er niet van maken, en minder ook niet.
-
Donker de nacht in
Midden in de kinderfilm valt de stroom uit. ‘Alweer’, mopper ik, en loop naar buiten om de knop van de zekeringkast om te zetten. Ons huis is berekend op twee airco’s en de lampen. Wil je de haardroger gebruiken moet de airco uit. De waterkoker idem. Als de meid gaat strijken kan het ook gebeuren: pats, alles donker, stil en dood.
Ik haal de knop over maar er gebeurt niks. Ik kijk rond, en zie dat het overal donker is. De hele wijk ligt eruit. Jakarta is eigenlijk net als mijn huis. Het heeft te weinig stroom, en als ze ergens een stofzuiger teveel aanzetten raakt het net overbelast. Als het een tijd droog is wordt het probleem acuut: dan komen de waterkrachtcentrales droog te staan. Zover is het nog net niet, maar het is ver genoeg.
Ze hadden lang geleden al de oude elektriciteitscentrales moeten opknappen, en vooral: nieuwe moeten bouwen. Maar ze stopten liever het geld daarvoor in hun zakken, net als het geld voor een metro, een monorail en een deugdelijk openbaar vervoer. Dat is Jakarta. Dat is mijn huis.
Als er te weinig stroom is schakelen ze een paar wijken uit, wijken zoals de mijne. Het is vooral een woonwijk, en het is zaterdag, dus het geeft niet. Niemand wordt gewaarschuwd, de knop gaat gewoon om. Om12 uur ‘s middags, als het op z’n heetst is. Voor hoe lang? Geen mens die het weet, geen telefoonnummer dat je kunt bellen. Je moet wachten. Hoort dat er een centrale is ontploft.
Dat was twaalf uur. Nu is het vijf uur. Alles is nog steeds uit.
Alles.
De televisie, het internet, de telefoon, de airco, de ventilatoren. Geen beeld, geen muziek, geen informatie, geen koelte.
De koelkast, dat is het ergste. Als het te lang duurt bederft alles.
Maar de stilte is ook even wennen. In Indonesië is het nooit stil, altijd staat wel ergens een televisie aan op vol volume, of gewoon maar aan.
Na twee uur stilte herinnert iemand zich de wereldradio waar we voor het internet nog wel eens naar luisterden. Die wordt opgediept.Nu is er ten minste nog even muziek.
Maar wat als straks de batterij leeg is?
Als het zometeen donker wordt?
Hoe kan ik dan mijn boek nog lezen?
Nog even en ook de batterijen van de laptop en de mobiele telefoon zijn leeg…Ach, als dat alles is…
Mijn wijk klaagt niet. Mijn wijk wacht geduldig tot de stroom weer terugkomt. Maar het wordt erger. Nu is het nog een wijk, of twee wijken, maar er komt onvermijdelijk een moment waarop het helekrakkemikkige stroomnet in elkaar stort en de halve stad in het donker komt te zitten. Dat wordt een hel, met berovingen, inbraken, plunderingen en andere dingen die het daglicht niet kunnen verdragen. Omvallende kaarsjes zullen hele krottenwijken in brand zetten.
Nog twee uur, dan gaat de zon onder. Dan zit ik met mijn zaklamp naast de deur.Ik ga dus vlug nog maar wat lezen.
-
Gepakt maar niet gevangen, of toch…
En dan ben je ineens zelf nieuws.
Leuk is dat niet want we belanden in een politiebureau waar het langzaam donker wordt, en waar wij zelf langzaam beginnen te ruiken als gedetineerden.
Wij zijn het niet hoor!
Zeggen de politiemannen.
‘Nee jullie zijn niet gearresteerd.’
‘Dus we kunnen weg?’
‘Nee!’
‘Dus we zijn gearresteerd.’
‘Nee.’Wij wilden alleen een paar dagen filmen uit het leven van een Ahmadiyah-dorpje op Java. Een gewoon dorp met gewone mensen, die er een ongewoon geloof op nahouden.
Ahmadiyah zijn moslims die geloven dat niet Mohammed de laatste Islamitische profeet is geweest, maar de Indiër Mirza Ghulam Ahmad. Hij zou de uit de hemel neergedaalde Jezus zijn, die het Einde der Tijden aankondigt.De Ahmadi’s zitten al meer dan 80 jaar in Indonesië (en tal van andere landen in de wereld) en doen daar niemand kwaad. Maar de laatste tien jaar is in Indonesië de jacht op ze geopend. Hun dorpen en moskeeën worden aangevallen en platgebrand. Hun aanhangers gewond, of erger.
Vorig jaar werd de wereld opgeschrikt door beelden van Cikeusik, waar een meute van 1500 mannen Ahmadi’s te lijf ging en er drie met stenen en stokken afmaakte. Het werd gefilmd met een mobieltje, of een kleine camera, en is nog steeds te zien op Youtube. Je hoort de slagen neerkomen, en je ziet hoe een agent erbij staat en ernaar kijkt, en niets doet.
Maar dat was vorig jaar. En sindsdien is het tamelijk rustig.
Ook in Cisalada. Dat dorp was in 2010 aangevallen. Ik was er toen, een dag na de aanval, en zag de uitgebrande auto’s, de verwoeste huizen, en de moskee met de verbrande Koran.Nu is het schoon, opgeruimd en vredig als in elk ander dorp. Een man ploegt met een buffel in de modder, de stoffige hoofdstraat is leeg, kweekvissen in de vijvers happen naar lucht, de thee staat klaar.
Maar de rust is schijn.
‘Heb je je al gemeld?’
Waar en waarom zou ik mij melden? Welke wet verbiedt mij het ontbijt van deze Ahmadis te filmen?
Ik denk dit alleen, en protesteer niet. We gaan ons melden. Bij de ‘Lura’ (het buurthoofd), de ‘Polsek’ (de politie), de ‘Koramil’ (de lokale legerpost), de ‘Camat’ (het districtshoofd) en de ‘Pemda’ (de overkoepelende regering).
Uiteindelijk zeggen ze allemaal: ‘Geen probleem.’Maar toch.
Het probleem komt twee uur later.
Wij maken ons op voor de lunch (ze hebben bakso-balletjes voor ons klaargemaakt) als er plotseling beroering is.
Een politieman rent naar ons toe en roept ‘Weg hier! Weg hier!’ Wij moeten de auto in, en zien nog net hoe aan de andere kant van het dorp mannen met stokken en stenen op de bewoners beginnen in te hakken.
Het dorp wordt aangevallen. Als de stenen op zijn zijn er gewonden, iemands been is afgehakt, vier huizen zijn vernield.En wij mogen er niet meer in.
Ik schreeuw dat ik terug wil, want ik wil zien wat er gebeurt, maar ik mag niet. Onze vlucht naar de veiligheid is een ontvoering geworden.
De politie brengt mij weg. Een ongeüniformeerde met een onbetrouwbaar gezicht neemt de macht over. Hij rijdt voor ons uit. Wij moeten volgen.
Naar het bureau, zegt hij. Waarom?
Protesteren helpt niet.
Meer ongeüniformeerden met valse blikken komen, en vier politieauto’s met sirene en zwaailicht.
Of we terroristen zijn worden we op transport naar Bogor gezet.En daar zitten wij dan.
De politie vertelt aan de media dat wij mensen hebben geïrriteerd met onze aanwezigheid, dat wij irritante interviews hebben gehouden. En dat wij dus eigenlijk verantwoordelijk zijn voor de aanval.
Het is niet waar, maar de media slikken het. Wij zien het zelf op de televisie van het politiebureau, die continu aanstaat.
Het plan van de politie werkt. Iedereen begint ons te bellen en te sms’en. En niemand heeft het meer over de aanval, over de slachtoffers, over Ahmadiyah en over de systematische vervolging van de sekte in Indonesië.‘Wie heeft jullie toestemming gegeven daar te filmen?’
‘Iedereen’.
Ik som het lijstje op. Lura, polsek, koramil, camat, pemda.
‘Waar is de toestemming?’
Ze willen een brief met een stempel. Die heb ik niet. Hoef ik niet te hebben.
‘Aha!’En zo gaat het maar door.
Onze papieren worden onder een mikroskoop gelegd. Volgens de berichten wordt ook de immigratiedienst ingeschakeld om onze verblijfsvergunningen en werkvergunningen te onderzoeken. Zij willen iets vinden, coûte que coûte…Na zeven uur hebben wij onze verklaringen ondertekend.
Maar nog steeds moeten wij wachten. Waarop? Niemand die het weet.
Na zeveneneenhalf uur verlies ik mijn geduld. Ik weet dat ik dat niet moet doen. Niet op Java.
Maar het lijkt te helpen.
Want na zeven uur en vijfenveertig minuten mogen we weg.Je denkt dan dat het over is, maar dat is het niet.
De volgende ochtend melden de media dat wij zijn gearresteerd en worden vastgehouden door de immigratiedienst.
Wij lezen het aan ons ontbijt in het hotel, dus het is niet waar. Nog niet.
Wij besluiten toch maar snel te vertrekken, voor het geval dat. Wij hebben geen zin in nog eens een dag op een bureau.
Dat had erin gezeten. Want een halfuur nadat wij zijn vertrokken komt de politie naar het hotel en vraagt naar ons.Wij zijn gevlogen. Een rechercheur belt en vraagt waar we zijn. Ik zeg: ‘onderweg’ en hang op.
Maar de lokale media blijven melden dat de immigratiedienst met onze papieren bezig is. Wij zitten zelfs gevangen.
Misschien is het onzin. Misschien niet. Maar het hangt boven je hoofd als een donderwolk: met één pennestreek kunnen ze je verblijfsvergunning intrekken en je uit het land verbannen.
Dat kunnen ze doen. En kom er dan nog maar eens in.We hebben niets verkeerds gedaan, maar dat hoeft niet. Zij doen wat zij willen.
Wij zijn niet de enigen die benauwde uren doormaken.
Het dorpshoofd wordt door de politie gedwongen een verklaring te tekenen. Hij maakt daarin excuses voor onze aanwezigheid in het dorp, en belooft dat dat nooit meer zal gebeuren. Hij klinkt bang, aan de telefoon. Niemand durft meer met ons te praten. Wij zijn paria’s.En de echte daders?
Over hen, de mannen die het dorp hebben aangevallen, de haatpredikers die ze hebben gestuurd, heeft niemand het meer.En dat was waarschijnlijk de bedoeling.
In het nieuws, het dorp na de aanval:
http://berita.liputan6.com/read/420992/seorang-luka-parah-lima-rumah-rusak
-
Vergeten piloot heeft weer een naam
Het kon niet uitblijven. De onbekende piloot aan het einde van mijn filmpje blijkt toch een naam te hebben. Kort na de uitzending kwam die binnen, in een email van zijn bet-achterkleindochter. Toen wij hem filmden zeiden wij het al: wedden dat er iemand is die wèl weet wie deze onbekende vlieger is?
-
Dobberen in Jakarta
Je hebt van die dagen dat het brood is beschimmeld, dat er geen kaas meer is, dat de tuin onder water staat en het zwembad is leeggelopen. Die dagen komen meestal niet meer goed. Zeker niet als je de deur uit moet.
-
Moordenaar met zonnebril
Een weekje Cambodja dompelt je meteen weer onder in de donkere kant van de mensheid. Tussen de 1,7 en 2,2 miljoen Cambodjanen kwamen om tijdens het bewind van de ‘Rode Khmer’. Dat duurde maar van april 1975 tot januari 1979.
En hier, in de rechtszaal, voor mijn neus zat gisteren Nuon Chea. Die was destijds ‘broeder nummer 2’, rechterhand van de bloeddorstige Pol Pot, of: ‘Broeder nummer 1’.
-
Sexy billboards en shariah
Het stadje Depok heeft een verbod uitgevaardigd tegen al te ‘sexy’ billboards aan de kant van de weg, want die sexy billboards verpesten de moraal van de Depokse kinderen.
Depok is een universiteitsstadje aan de rand van Jakarta. De groene, schitterende campus van de Universitas Indonesia ligt in de gemeente Depok. De fine fleur van de Indonesische jeugd haalt in Depok haar diploma’s.
Het stadje ligt amper 10 kilometer van mijn huis vandaan. Maar de afstand tussen mij en Depok wordt steeds groter.

-
Snel nieuws en een langzame ramp
‘Wow, amazing pictures!’
Mijn mond valt open. Ik kijk en ik zie alleen maar hoe iemand met een four wheel drive door een overstroomde weg in bangkok ploegt.
Ik ken die weg. Daar hebben wij ook gereden, en honderden, duizenden anderen. Met zo’n auto die hoog op zijn wielen staat is dat geen punt.
De auto maakt een kleine boeggolf.
‘Look at those waves!’

Ik ken die golven. Ze zijn asociaal als er tegenliggers zijn. Zo’n golf kan een tegenligger verzuipen. Maar ze zijn niks bijzonders.
‘I could surf on that one!’ -
Mensen en regels
De Nederlandse efficiëntie blijft mij verbazen. Twee maanden geleden was ik er weer even, en nu, twee maanden later dus, glijdt er een envelop in de brievenbus van mijn Nederlandse adres.
EEN BEKEURING!

Die heb je hier in Indonesië niet. Hier betaal je de agent die je aanhoudt. Of niet. Of je maakt een deal, en geeft hem een beetje uang rokok: geld voor sigaretten. Verkeersovertredingen zijn voor hem een bron van inkomsten, en als je geld nodig hebt verzin je gewoon een verkeersregel.




